Meer
Publicatiedatum: 18-10-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Van perspectiefnota 2020 naar begroting 2020

Opbouw van het hoofdstuk

Opbouw van het hoofdstuk

Om een gestructureerd beeld te geven van de opbouw en het verloop van het meerjarige saldo volgen we onderstaande opzet:

Allereerst ziet u in paragraaf 1 het beginsaldo van deze programmabegroting 2020 weergegeven. Dit saldo vindt zijn oorsprong in de perspectiefnota 2020 en vormt de basis waarmee verder wordt gewerkt.

In paragraaf 2 schetsen we het beeld van het ontstaan van het begrotingssaldo aan de hand van de zogenaamde mutaties op de uitvoering van het bestaande (dus vastgestelde) beleid.

Na deze mutaties gaan we in op de denkrichtingen die zijn opgenomen in de perspectiefnota 2020. De inhoudelijke onderbouwing van deze denkrichtingen en waar nodig de concretere uitwerking is opgenomen in de betreffende programma’s van de basisbegroting. In paragraaf 3 van het financiële hoofdstuk brengen we de (meerjarige) consequenties van deze denkrichtingen in beeld.

In paragraaf 4 staan we stil bij een aantal specifieke mutaties. Deze specifieke mutaties hebben niet in alle gevallen financiële consequenties, maar ze herbergen wel een aantal mogelijke risico’s of zijn in politiek-bestuurlijke zin zo relevant dat een nadere toelichting nodig is.

Al deze mutaties hebben een herzien meerjarig saldo tot gevolg, dat in paragraaf 5 is weergegeven.

Tot slot geven we in paragraaf 6 een overzicht van de beschikbare incidentele middelen waaronder  de stand van zaken van de (belangrijkste) reserves.

Uitgangspunten

Indexering prijsgevoelige budgetten

We gaan niet uit van een recht evenredige aanpassing van alle prijsgevoelige budgetten maar kiezen voor het reëel ramen van deze budgetten. Dat wil zeggen rekening houden met de werkelijke (ervarings-) cijfers over de laatste jaren verhoogd met het laatst bekende cijfer voor wat betreft de aanpassing van de prijzen volgens het CBS (1,6%). Dit hoeft dus niet in alle gevallen een verhoging van de raming te betekenen maar kan zelfs een verlaging van de raming betekenen.  

 

Indexering lonen

Voor wat betreft de indexering van de lonen hebben we in de begroting van Noaberkracht een jaarlijkse stijging meegenomen van 1,5%. Daarnaast staat in de beide gemeenten nog een stelpost van 0,5%. Per saldo hebben we dus een budgettaire ruimte van 2%.

Nu de nieuwe cao gemeenteambtenaren is vastgesteld gaan we de werkelijke lasten opvoeren en begroten. Het betreft hier de volgende aanpassingen die we moeten verwerken:

  • Per 1 oktober 2019 stijgen de salarissen met 3,25% 
  • Medewerkers die op 28 juni 2019 in dienst zijn, ontvangen in oktober 2019 een eenmalige uitkering van € 750.
  • Per 1 januari 2020 stijgen de salarissen met 1% 
  • Per 1 juli 2020 stijgen de salarissen met 1% 
  • Per 1 oktober 2020 stijgen de salarissen met 1%

In het tweede programmajournaal 2019 en de begroting 2020 van de beide gemeenten nemen we deze hogere lasten maar ook de aanwezige dekking mee. Daarnaast verwachten we ook nog een stuk compensatie vanuit het Rijk (septembercirculaire 2019). Ook deze compensatie nemen we mee.

 

Verbonden partijen

De (financiële gevolgen van de) begrotingen 2020 van de verbonden partijen zijn via de perspectiefnota (inclusief eerste programmajournaal 2019) opgenomen in de (meerjaren)begrotingen van de beide gemeenten. Hier hoeven we dus niets meer aan te doen.

De mogelijke uitkomsten van de verschillende zienswijzen die zijn aangenomen worden indien mogelijk en noodzakelijk betrokken bij het opstellen van de producten uit de P&C cyclus.

Meerjarig, dus vanaf 2021, hebben we ook stelposten loon-en prijscompensatie opgenomen voor de verbonden partijen.

 

Subsidies

Voor wat betreft de subsidies volgen we de afspraken uit de verordening of indien van toepassing specifiek gemaakte (prestatie) afspraken.

 

Rente

We gaan uit van de omslagrente, dit is 1,5%. Dit percentage gebruiken we voor de bestaande activa en investeringen maar ook voor nieuwe investeringen.

Voor het grondbedrijf gaan we conform Besluit Begroting Verantwoording (hierna BBV) uit van een rekenrente van 1,0%.

 

OZB 

Voor het indexeren van de ozb tarieven gaan we uit van een jaarlijkse indexatie van 2% . De OZB tarieven worden zodanig aangepast dat er voor het jaar 2020 een meeropbrengst wordt gerealiseerd van 2% (exclusief areaalaanpassing). Voor de jaren daarop gaan we ook uit van een meeropbrengst van 2% (exclusief areaalaanpassing)

 

Rioolrecht

In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2022 (GRP) dat eind 2018 is vastgesteld is aangegeven dat de tarieven de komende jaren verhoogd moeten worden met € 5 per jaar plus de inflatie. Hierbij is uitdrukkelijk aangegeven dat de daadwerkelijk noodzakelijke verhoging afhankelijk is van de toekomstige investeringen als gevolg van de zogenaamde klimaatadaptie. De “stresstests” die in het najaar van 2019 worden uitgevoerd moeten  hierover duidelijkheid geven. In afwachting hiervan dient vooralsnog te worden uitgegaan van een verhoging van € 5 met daarbovenop de inflatiecorrectie van 1,6%.

 

Afvalstoffenheffing

De tarieven afvalstoffenheffing zijn 100% kostendekkend. De daadwerkelijke hoogte van de tarieven kunnen we pas bepalen als alle uitgaven en alle inkomsten (zonder de opbrengsten uit de tarieven) op basis van een reële raming zijn verwerkt.

 

Toeristenbelasting, Forensenbelasting, Bedrijven Investeringszone (BIZ) en Precariobelasting 

Geen indexatie

1. Meerjarig saldo Perspectiefnota 2020

Meerjarig saldo perspectiefnota 2020

Zoals u van ons gewend bent, zoeken we in elk van de P&C documenten in financiële zin aansluiting bij het laatst vastgestelde document. Voor de begroting 2020 betekent dit dat we aansluiting zoeken bij het saldo van de Perspectiefnota 2020.

(bedragen x €1.000) 2020 -2021 2022 2023
Stand perspectiefnota 2020 -847 -778 -1.186 -1.051

2. Mutaties bestaand beleid

Mutaties bestaand beleid

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van de verschillende mutaties op basis van bestaand beleid. Dit kunnen autonome ontwikkelingen zijn of zaken waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden. 

Mutaties bestaand beleid (bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023
Algemene uitkering meicirculaire 2019        
- mutatie algemene uitkering -241 -389 -590 -63
- taakmutatie wet verplichte ggz -29 -30

-30

-31
- taakmutatie combinatiefuncties/buurtsportcoaches -5 -5 -5 -5
- taakmutatie verhoging taalniveau statushouders -31 0 0 0
Algemene uitkering - septembercirculaire 2019 228 583 659 549
- doortrekken extra rijksvergoeding jeugdzorg 0 0 340 340
- ambulantisering ggz -23 -29 -34 -35
- wet verplichte ggz 10 11 11 11
- participatie -8 -7 -6 -5
Stelpost Samen Scholen 150 150 0 0
Nieuwe cao gemeentelijk personeel -387 -689 -671 -666
Rente lening ambtenaren -108 -108 -108 -108
Ozb 64 66 68 70
Toeristenbelasting 60 60 60 60
Wmo - Huishoudelijke ondersteuning 263 276 408 408
Wmo - Ondersteuningsbehoeften 109 109 109 109
Maatwerkvoorziening vervoer 18 18 18 18
Bijstand -154 -154 -154 -154
Sociale werkvoorziening - exploitatietekort 133 133 133 133
Leerlingenvervoer -50 -50 -50 -50
Lagere kapitaallasten (o.a. onderwijs) 88 92 92 92
Financieel technische maatregelen 67 67 67 67
Specifieke uitkering sport -74 -82 -80 -70
Areaalaanpassing 40 40 40 40
Overige kleine verschillen 2 57 41 3
Totaal mutaties bestaand beleid 122 119 318 713

 

De verklaring voor de verschillen in de hoogte van de algemene uitkering zit enerzijds in de gewijzigde accressen en anderzijds in een aantal taakmutaties.

1. Accressen

De ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van de rijksuitgaven. Volgens het systeem van ‘samen de trap op en samen de trap af’ hebben wijzigingen in de rijksuitgaven direct invloed op de omvang van het gemeentefonds. De jaarlijkse toename of afname van het gemeentefonds, voortvloeiend uit de trap op trap af methode wordt het accres genoemd.

Voor de periode van 2020 tot 2024 wordt het accres per saldo neerwaarts bijgesteld. De belangrijkste verklaring voor de neerwaartse bijstelling ligt in de lagere ontwikkeling van de lonen en prijzen. De raming hiervan in het Centraal Economisch Plan (CEP) is lager dan bij de Miljoenennota. Hierdoor wordt er Rijksbreed minder uitgegeven aan compensatie voor lonen en prijzen, wat zorgt voor een lagere ontwikkeling van de accresrelevante uitgaven.

In de Voorjaarsnota 2019 worden verder de belangrijkste ontwikkelingen in het economisch beeld, de uitgaven en de inkomsten 2019 van het Rijk nader toegelicht. De ontwikkelingen voor latere jaren worden gepresenteerd in de Miljoenennota en zullen terugkomen in de septembercirculaire 2019. In deze circulaire verwachten we ook een (gedeeltelijke) structurele compensatie voor de nieuwe cao ontwikkelingen.

 

2. Taakmutaties

Taakmutaties zijn middelen die met een bepaald oogmerk aan het gemeentefonds zijn toegevoegd of onttrokken, maar waar geen bestedingsverplichting aan ten grondslag ligt. Wanneer ze nieuw zijn worden ze eenmalig afzonderlijk benoemd om inzicht te creëren waaraan het rijk meer of minder geld gaat besteden. Maar het uitgangspunt van de gehele algemene uitkering is en blijft dat de middelen vrij aanwendbaar zijn. Binnen de gemeente Dinkelland kennen we de lijn dat voor deze taakmutaties een stelpost wordt opgenomen in afwachting van te ontwikkelen beleid. Zodra door college en raad wordt ingestemd met het ontwikkelde beleid kan een beroep worden gedaan op deze stelpost(en). Indien er voor wordt gekozen geen beleid te ontwikkelen dan kan de stelpost vrijvallen ten gunste van de algemene middelen of en laste worden gebracht . 

De taakmutaties die in de meicirculaire 2019 zijn benoemd en die van toepassing zijn op de gemeente Dinkelland zijn:

Taakmutatie Wet verplichte ggz

Met ingang van 1 januari 2020 treedt de Wet verplichte ggz in werking. Deze wet vervangt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg in de ggz. Een belangrijke verandering is dat verplichte zorg straks ook buiten een ggz-instelling opgelegd kan worden en dat de essentiële voorwaarden voor deelname aan de maatschappij in het zorgplan worden meegenomen. Voor de gemeentelijke taken en bijbehorende kosten die volgen uit de Wet verplichte ggz is afgesproken om vanaf 2020 structureel € 20 miljoen toe te voegen aan het gemeentefonds. Voor Dinkelland betekent dit afgerond € 30.000 per jaar vanaf 2020.

 

Taakmutatie combinatiefuncties/buurtsportcoaches

Voor de Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 2018 nieuwe bestuurlijke afspraken ondertekend en deze treden in werking vanaf 1 januari 2019. Het nieuwe jaarlijkse beschikbare rijksbudget is structureel € 73,3 miljoen voor gemeenten en wordt in eerste instantie verdeeld op basis van de verdeelmatstaven “jongeren tot en met 17 jaar” en ‘inwoners” (elk voor 50%). Vervolgens krijgen gemeenten de mogelijkheid om zich op basis van deze verdeling in te schrijven voor een deelnamepercentage.  Voor Dinkelland betekent dit € 5.000 jaarlijks.

 

Taakmutatie verhoging taalniveau statushouders

In aanloop naar het nieuwe inburgeringsstelsel hebben Rijk en gemeenten bestuurlijke afspraken gemaakt over de versterking van het taalniveau van statushouders die nog onder de huidige Wet inburgering inburgeren. Het kabinet stelt € 40 miljoen beschikbaar aan gemeenten voor de periode 2019/2020, waarvan € 20 miljoen in 2019 en € 20 miljoen in 2020. Met deze extra middelen wordt tevens beoogd dat gemeenten zich oriënteren op de regierol inburgering zodat een soepele overgang naar het nieuwe stelsel wordt bevorderd. De verdeling van de middelen voor het jaar 2019 en 2020 vindt plaats op basis van het aantal inwoners per gemeente in het jaar 2018. Dit betekent € 31.000 voor de jaren 2019 en 2020 voor Dinkelland.

 

Algemene uitkering – septembercirculaire 2019

De ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van de totale rijksuitgaven (accresrelevante uitgaven; ARU). Volgens de normeringssystematiek (trap-op-trap-af) hebben wijzigingen in de rijksuitgaven direct invloed op de ontwikkeling van de algemene uitkering en daarmee de omvang van het fonds. De jaarlijkse toename of afname van het gemeentefonds, voortvloeiend uit de normeringssystematiek, wordt het accres genoemd. In de Miljoenennota 2020 wordt de geraamde accrestranche 2019 ten opzichte van de meicirculaire 2019 met € 218,3 miljoen neerwaarts bijgesteld. Dit komt vooral doordat het Rijk dit jaar naar verwachting minder uitgeeft dan geraamd. Daartegenover staat een opwaartse bijstelling van de accrestranche 2020 met € 408,6 miljoen. Ook de accrestranches in de jaren na 2020 worden opwaarts bijgesteld. De belangrijkste verklaring voor de opwaartse bijstelling voor de periode van 2020 tot en met 2024 ligt in aanpassingen in het investeringsritme van het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat en Defensie en in het sluiten van het Pensioenakkoord. Deze aanpassingen leiden tot een daling van het accres in 2019, maar tot een stijging in de daaropvolgende jaren. Het woningmarktpakket waartoe in de Miljoenennota besloten is,  en de afgesloten cao gemeentelijk personeel leidt tot een opwaartse bijstelling van het accres vanaf 2020.

 

Doortrekken extra rijksvergoeding jeugdzorg

Het kabinet heeft besloten extra middelen toe te voegen aan het jeugdhulpbudget voor de jaren 2019, 2020 en 2021 (opgenomen in meicirculaire). Aanvullend wordt onderzoek verricht om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben.

Het Rijk is inmiddels, in overleg met de provinciale toezichthouders, met een richtlijn gekomen hoe om te gaan met deze extra middelen en het aanvullend onderzoek ten aanzien van de beoordeling van de meerjarenraming in de gemeentelijke begroting.

Kern hierin is:

  1. De extra middelen jeugdzorg voor de jaren 2019 tot en met 2021, die onderdeel uitmaken van de algemene uitkering, worden als structureel dekkingsmiddel aangemerkt;
  2. Voor de jaren 2022 en 2023 kan door de gemeente een stelpost ‘Uitkomst onderzoek jeugdzorg’ geraamd worden: per gemeente naar rato van de € 300 miljoen (in 2021);
  3. Deze stelpost ‘Uitkomst onderzoek jeugdzorg’ kan als structureel opgenomen worden. Voorwaarde is dat daarnaast gemeente tevens zelf maatregelen neemt in het kader van de transformatie rondom jeugdzorg en ggz mede gericht op beheersing van de kosten. Gemeenten spelen immers zelf ook een actieve rol in de transformatie en daarmee ook in het kunnen beperken van de uitgaven.

Wij kiezen ervoor om de extra vergoeding vanuit het rijk vanaf het jaar 2022 inderdaad structureel door te trekken. Dit betekent een extra structurele inkomst van € 340.000. Dit neemt echter niet weg dat wij ons blijven inzetten voor een juiste en rechtvaardige financiering van de extra taken binnen het sociaal domein. 

 

Ambulantisering ggz

Op 5 juni 2019 is op de Algemene Ledenvergadering van de VNG ingestemd met het hoofdlijnenakkoord ggz. In het hoofdlijnenakkoord ggz wordt ingezet op ambulantisering van de zorg. Dit leidt tot een groter beroep op zorg en begeleiding in het gemeentelijke domein. Het kabinet stelt financiële middelen beschikbaar voor het realiseren van de ambities uit het hoofdlijnenakkoord. De reeks loopt op van € 50 miljoen in 2019 tot € 95 miljoen in 2022 en wordt daarna structureel ingeboekt. Hiervan wordt € 12 miljoen in 2019 tot structureel € 22 miljoen vanaf 2022 verwerkt in het subcluster Wmo 2015 van de algemene uitkering. De overige middelen worden toegevoegd aan de integratie-uitkering Beschermd wonen. Voor de gemeente Dinkelland betreft het hier een bedrag van € 23.000 in 2020 oplopend naar een structureel bedrag van € 35.000 in 2023.

 

Wet verplichte ggz

Met ingang van 1 januari 2020 treedt de Wet verplichte ggz in werking. Deze wet vervangt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg in de ggz. In de meicirculaire 2019 is voor de gemeentelijke taken en bijbehorende kosten die volgen uit de Wet verplichte ggz vanaf 2020 structureel € 20 miljoen toegevoegd aan het subcluster Wmo 2015. Op verzoek van de VNG wordt de € 20 miljoen in deze circulaire herverdeeld van het subcluster Wmo 2015 naar het cluster Samenkracht en burgerparticipatie. Het verzoek vloeit voort uit de verwachting dat verdeling via het cluster Samenkracht en burgerparticipatie beter tegemoetkomt aan de relatie tussen grootstedelijkheid en het voorkomen van ggz-problematiek. Voor de gemeente Dinkelland betreft het hier negatieve herverdeling van de eerder beschikbaar gestelde middelen van € 10.000 in 2020 oplopend naar een structureel bedrag van € 11.000 in 2023. De hierna resterende stelpost voor de wet verplichte ggz komt uit op een bedrag van € 19.000 in 2020 oplopend naar een structureel bedrag van € 20.000 in 2023.

 

Participatie (Wsw)

De gelden voor participatie (Wsw) betalen we 1 op 1 door aan de uitvoerende organisatie. Om het effect daarvan via de algemene uitkering geen budgettair effect te laten hebben ramen we tegenover de mutatie via de algemene uitkering een navenante aanpassing van de door te betalen bijdrage.      

 

Stelpost Samen Scholen

Gezien de laatste ontwikkelingen verwachten we niet dat er in het jaar 2020 geïnvesteerd wordt in de basisscholen in Denekamp. Dit betekent dat de geraamde structurele stelpost van € 150.000  voor de jaren  2020 en 2021 kan komen te vervallen.

 

(nieuwe) cao gemeentelijk personeel

Op 28 juni 2019 heeft de VNG samen met de vakbonden een principe overeenkomst bereikt. Deze overeenkomst is op 12 september 2019 definitief geworden. In deze nieuwe cao staan de volgende afspraken:

  • Per 1 oktober 2019 stijgen de salarissen met 3,25%
  • Medewerkers die op 28 juni 2019 in dienst zijn, ontvangen in oktober 2019 een eenmalige uitkering van €750 bruto (naar rato dienstverband)
  • De tegemoetkoming in ziektekosten is voortaan op alle medewerkers van toepassing en niet meer alleen voor mensen met een bepaalde ziektekostenverzekering
  • Per 1 januari 2020 stijgen de salarissen met 1% 
  • Per 1 juli 2020 stijgen de salarissen met 1% 
  • Per 1 oktober 2020 stijgen de salarissen met 1%

Dit komt voor het jaar 2020 neer op een stijging van de loonsom van 5% en voor het jaar 2021 e.v. op een stijging van de loonsom van de volle 6,25%. Daarnaast houden we vanaf het jaar 2021 ook weer rekening met een “reguliere” stijging van de loonsom met 1,5% per jaar.

In de begroting van Noaberkracht is voor een deel (1,5%) rekening gehouden met deze loonontwikkeling. Daarnaast hebben we binnen de gemeentebegroting een extra stelpost van ongeveer 0,5% voor aanvullende loonontwikkeling. Deze percentages lopen parallel met de percentages voor loon-en prijsontwikkeling via de algemene uitkering. Uiteraard worden deze percentages ingeval van een daadwerkelijk afgesloten cao aangepast. Dat heeft het Rijk voor deze cao gedaan via de septembercirculaire 2019. Een deel van de hogere algemene uitkering uit deze september circulaire heeft dus betrekking op looncompensatie.  

 

Onroerende zaak belasting

Deze hogere opbrengst is een gevolg van een meer dan normale/gemiddelde areaaluitbreiding (meer nieuwbouw en verbouw van objecten). Wellicht door de aantrekkende economie. Ook heeft er een intensieve controle op leegstand van niet-woningen plaats gevonden. Al met al heeft dit geleid tot een hogere opbrengst dan geraamd.

 

Toeristenbelasting

Het aantal overnachtingen in vooral de pensions en hotels is de laatste jaren hoger dan de opgenomen raming. Na deze opbrengst een aantal jaren als incidenteel (via de programmajournaals) te hebben aangemerkt nemen we deze hogere opbrengst nu structureel mee.  

 

Wmo – huishoudelijke ondersteuning

De verwachte instroom in 2019 van 130 cliënten wordt niet gehaald, dit levert een structureel voordeel op. Daarnaast hebben we voor het jaar 2020 opnieuw rekening gehouden met een instroom van 90 cliënten (40% van het totaal aantal cliënten dat we terug verwachten). Op basis van de ontwikkelingen die we in 2019 zien, is de verwachting dat we in 2020 ook niet de verwachte instroom van 90 cliënten zullen bereiken. We gaan uit van een instroom van ca. 50 cliënten. Ook dit levert een structureel voordeel op.

Een groot gedeelte van dit voordeel is behaald middels de inzet op keukentafelgesprekken om cliënten inzicht te geven in de eigen mogelijkheden binnen de huishoudelijke ondersteuning, zonder afbreuk te doen aan de regelgeving. Dit heeft ervoor gezorgd dat een gedeelte (€ 126.000) van de besparing die het interventieplan sociaal domein moet opleveren, reeds is behaald en een structurele doorwerking kent.

Het totale structurele voordeel loopt op van € 263.000 in 2020 tot € 408.000 in 2022 en verder.

 

Wmo - Ondersteuningsbehoeften

Voor het jaar 2020 houden we rekening met dezelfde aantallen indicaties als in 2019. Het eerste half jaar van 2019 laat zien dat de ontwikkeling van zowel het aantal indicaties individuele begeleiding als het aantal indicaties groepsbegeleiding iets lager is dan de nulsituatie. Daarnaast is rekening gehouden met een geringe instroom als gevolg van de wijziging van het abonnementstarief Wmo. Deze instroom blijft gehandhaafd.

 

Maatwerkvoorziening vervoer

Vervoer dagbesteding

Voor 2020 gaan we uit van een maandelijkse last van € 28.000 per maand plus indexatie op basis van de laatst bekende gegevens uit de NEA-index taxivervoer.

 

Regiotaxi

Voor 2020 gaan we uit van een maandelijkse last van € 16.500 per maand plus indexatie op basis van de laatst bekende gegevens uit de NEA-index taxivervoer.

Deze beide uitgangspunten maken dat we de raming met ingang van het jaar 2020 met een bedrag van € 18.000 naar beneden bij kunnen stellen.

 

Bijstand

Voor de begroting van 2020 gaan we uit van een gelijkblijvend cliëntenbestand van gemiddeld 200 uitkeringsgerechtigden (WWB + IOAW/IOAZ). De verwachte gemiddelde uitkering in 2019 van € 14.900 wordt gehanteerd voor 2020. Daarnaast verwachten we dat de loonkostensubsidie op het niveau van 2019 zal blijven. Deze twee ontwikkelingen zorgen voor een structureel nadeel van € 154.000.

 

Sociale werkvoorziening

De meerjarenraming van het exploitatietekort voor de SW van 2020 en verder van de gemeente Dinkelland is geactualiseerd op basis van een vernieuwd meerjarenperspectief, dit stellen we nu bij naar de verwachting die de SPD aangeeft voor 2020 en verder. Dit levert een structureel voordeel van ca. € 133.000 op.

 

Leerlingenvervoer

De verwachte kosten voor het leerlingenvervoer zijn ca. € 50.000 hoger dan begroot. Dit heeft vooral te maken met een grote groep leerlingen die of individueel vervoerd moeten worden of naar het taalonderwijs gaan (Regenboog school). Ook de plaatsingen op zorgboerderijen zijn hoger dan andere jaren. 

 

Lagere kapitaallasten (o.a. onderwijs)

In de jaarverantwoording 2018 is op basis van de accountantscontrole eenmalig een inhaalafschrijving van € 782.000 doorgevoerd op onze onderwijsactiva. Dit had te maken met gewijzigde afschrijvingssystematiek volgens het Besluit Begroten en Verantwoorden.

Deze extra afschrijving levert naast een extra incidentele last van € 782.000 ook lagere structurele kapitaallasten op.  Deze nemen we nu mee.                     

 

Financieel technische maatregelen

In de perspectiefnota 2020 is een drietal financieel technische maatregelen benoemd die leiden tot begrotingsruimte. Het betreft hier het afwaarderen van het voormalig gemeentehuis in Weerselo waardoor lagere exploitatielasten ontstaan en het vervroegd aflossen van de lening SVn (Stimuleringsfonds Volkshuisvesting) waardoor rente en aflossing vrij komt te vallen. Hoewel deze beide financieel technische maatregelen als denkrichting zijn benoemd heeft de daadwerkelijke technische  verwerking (het afwaarderen en het vervroegd aflossen) reeds plaatsgevonden vandaar dat we de financiële verwerking meenemen onder bestaand beleid. Het werkelijke voordeel van € 69.000 is licht hoger (€ 8.000) dan de raming waarmee we in de perspectiefnota 2020 rekening hebben gehouden.

 

SPUK vergoeding

Tot en met 2018 kon de gemeente de betaalde btw op uitgaven voor sport terugvorderen van de Belastingdienst. De btw op de inkomsten moesten worden afgedragen. Omdat over de uitgaven veelal 21%   btw in rekening werd gebracht en over de inkomsten de 6% btw-tarief van toepassing was en daarnaast de uitgaven veel hoger waren dan de inkomsten was de btw-regel voor sport financieel aantrekkelijk voor de gemeente.

Omdat de landelijke btw-regels voor sport in strijd waren met de EU-regel zijn de btw-regels voor sport met ingang van 2019 gewijzigd waardoor de btw-voordeel voor sport met ingang van 2019 is vervallen.

Ter compensatie van het nadeel heeft het ministerie van VWS met ingang van 2019 en vooralsnog voor de duur van vijf jaar de regeling Specifieke Uitkering Sport (SPUK) ingesteld voor de gemeenten.

Op basis van deze regeling wordt een vergoeding verstrekt van 17,5% over de uitgaven waarover btw in rekening worden gebracht. Doordat 17,5% wordt berekend over het bedrag inclusief btw, wordt de volledige btw vergoedt.

Op basis van deze informatie hebben wij vervolgens de SPUK-vergoeding berekend en vertaald in de meerjarenbegroting 2019 en volgende jaren.

Nadien is echter duidelijk geworden dat de SPUK-vergoeding niet aangevraagd kan worden voor zover de uitgaven van sportaccommodaties gedaan worden ten behoeve van het gymnastiekonderwijs. Indien een sportaccommodatie wordt gebruikt door zowel sportverenigingen als scholen, dan moet op basis van een rooster een verdeelsleutel worden aangebracht.

Voorts is eind september 2019 bekend geworden dat in verband met meer aanvragen dan het ministerie als budget beschikbaar heeft, de goedgekeurde aanvragen 2019 van de gemeenten voor 81,7% gehonoreerd worden.

Dit betekent dus dat 18,3% van de compensabele btw niet wordt vergoed. Uiterlijk 15 juli 2020 moeten de gemeenten de definitieve verantwoording indienen over 2019. Uiterlijk 31 januari 2021 ontvangen de gemeenten bericht over het definitieve bedrag. Dan wordt ook duidelijk of het percentage van 81,7% definitief is, of, indien de werkelijke kosten op landelijk niveau lager uitvallen, naar boven wordt bijgesteld.

Gelet op deze situatie en omdat het op dit moment ook niet duidelijk is of en zo ja in welke omvang kortingen worden toegepast voor 2020 en volgende jaren, zijn wij vanuit het voorzichtigheidsprincipe bij de berekening van de SPUK-vergoeding voor 2020 en volgende jaren uitgegaan van een korting van 18,3%. Daarnaast hebben wij op basis van het rooster een verdeelsleutel toegepast op de uitgaven ten behoeve van sport en de uitgaven ten behoeve van het gymnastiekonderwijs.  Ten opzichte van de bedragen opgenomen in de meerjarenbegroting 2019 heeft dit als gevolg dat wij de SPUK-vergoeding naar beneden hebben bijgesteld voor:

  • Jaar 2020: € 74.000
  • Jaar 2021: € 82.000
  • Jaar 2021: € 80.000
  • Jaar 2023: € 70.000

De fluctuaties worden vooral veroorzaakt doordat de kosten van groot onderhoud fluctueren.

 

Areaalaanpassingen

In onze meerjarenraming gaan we uit van jaarlijks oplopende kosten als gevolg van een toename van ons areaal. Hiervoor ramen we een meerjarig oplopende stelpost van € 40.000 per jaar. Veel van de hogere onderhoudskosten voor verhardingen en groen als gevolg van gereedgekomen nieuwbouwprojecten kunnen we dekken uit de reeds beschikbare budgetten. Hier ligt uitdrukkelijk wel een relatie met de doorgevoerde areaalaanpassing uit de begroting 2019. De kosten van areaalaanpassing vielen in deze begroting namelijk twee keer zo hoog uit als de beschikbare stelpost. 

 

Overige kleine verschillen

Het betreft hier een verzameling van meerdere kleine(re) mee- en tegenvallers

Rekening houdend met de aangegeven en toegelichte mutaties op basis van bestaande beleid ontstaat het volgende herziene meerjarige saldo:

(bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023
Stand perspectiefnota 2020 -847 -778 -1.186 -1.051
Totaal mutaties bestaand beleid 122 119 318 713
Herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid -725 -659 -868 -338

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangegeven mutaties op basis van bestaand beleid en deze te verwerken in het herziene meerjarig saldo.

3. Conclusies herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid

Conclusies herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid

Zoals uit de tabel over het herziene meerjarige saldo na mutaties bestaand beleid valt af te lezen hebben we ondanks een lichte verbetering te maken met een structureel niet sluitend meerjarenperspectief. Dit betekent dat de set aan denkrichtingen die wij u bij de perspectiefnota 2020 hebben gepresenteerd onverkort van kracht blijft. In de volgende paragraaf treft u de nadere uitwerking van deze denkrichtingen aan.

4. Denkrichtingen/Ombuigingsmaatregelen

Denkrichtingen/Ombuigingsmaatregelen

In de perspectiefnota 2020 hebben wij u een set aan denkrichtingen gepresenteerd die (op termijn) moeten leiden tot een sluitende meerjarenbegroting. In diezelfde perspectiefnota hebben wij aangegeven dat deze denkrichtingen nader worden uitgewerkt en worden betrokken bij het opstellen van de begroting 2020 waar ook de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt. Deze nadere uitwerking is opgenomen in de basisbegroting onder de programma’s en het voorstel tot daadwerkelijke besluitvorming treft u aan in deze paragraaf.

Rekening houden met de vijf aangenomen amendementen tijdens de behandeling van de perspectiefnota 2020 in de raadsvergadering van juli 2019 en het feit dat een tweetal financieel technische maatregelen reeds zijn doorgevoerd ontstaat het volgende totaalbeeld van de denkrichtingen:

Totaal denkrichtingen (bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023
Totaal Bestuur & middelen 131 387 618 827
Totaal Dienstverlening & burgerzaken 64 64 64 64
Totaal Veiligheid 0 0 0 0
Totaal Openbare ruimte & mobiliteit 221 221 221 221
Totaal Sport & accommodaties 0 0 0 0
Totaal Cultuur & recreatie 44 44 44 44
Totaal Sociaal domein 0 0 0 0
Totaal MEP 0 0 0 0
Totaal financieel technische maatregelen 161 161 161 161
Totaal denkrichtingen 621 877 1.108 1.317

De toelichtende onderbouwingen en waar nodig de nadere uitwerkingen zijn opgenomen onder de beleidsprogramma’s in de basisbegroting.

Tijdens de nadere uitwerking van de, via amendement A2 toegevoegde, denkrichting “verminderen openingstijden” onder het programma Dienstverlening & burgerzaken bleek dat deze denkrichting niet het gewenste resultaat oplevert. De hoeveelheid werk is namelijk niet afhankelijk van de openingstijden maar van het aantal aanvragen. Het verminderen van de openingstijden levert dus geen besparing maar een verplaatsing van de personele inzet op. Wij stellen voor deze denkrichting te schrappen waardoor een besparingsverlies van € 30.000 optreedt. Hierdoor ontstaat de volgende meerjarige opbrengst van de denkrichtingen.

(bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023
Totaal denkrichtingen 621 877 1.108 1.317
Besparingsverlies verminderen openingstijden -30 -30 -30 -30
Totaal denkrichtingen 591 847 1.078 1.287

Voorgesteld wordt in  te stemmen met de (nadere uitwerking van de) aangegeven denkrichtingen en deze denkrichtingen om te zetten in daadwerkelijke ombuigingsmaatregelen en de  opbrengsten daarvan te verwerken in het herziene meerjarige perspectief.

 

Rekening houdend met de aangegeven ombuigingsmaatregelen het verwerken van de opbrengsten daarvan ontstaat het volgende herziene meerjarige saldo:

(bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023
Stand perspectiefnota 2020 -847 -778 -1.186 -1.051
Totaal mutaties bestaand beleid 122 119 318 713
Totaal denkrichtingen 591 847 1.078 1.287
Herzien meerjarig saldo na denkrichtingen -134 188 210 949

5. Specifieke mutaties

Specifieke mutaties

In deze paragraaf staan we stil bij zaken die niet in alle gevallen financiële consequenties hebben voor het meerjarige saldo, maar die gezien de politiek bestuurlijk impact wel de nodige toelichting behoeven. Achtereenvolgens staan we stil bij de volgende zaken:

  • Loon- en prijscompensatie 3D’s
  • Stelpost looncompensatie
  • Stelpost prijscompensatie
  • Lokale lasten

 

Loon- en prijscompensatie 3D's

De werkwijze voor het verwerken van loon– en prijscompensatie en volumeontwikkelingen binnen het sociaal domein is gewijzigd. Deze compensatie wordt door het rijk verwerkt in de mei circulaire van het betreffende jaar. Dus de compensatie over het jaar 2019 wordt verwerkt in de meicirculaire 2019. En die van 2020 in de meicirculaire van het jaar 2020. Dit houdt in dat we in de begroting 2020 zoals die nu voorligt nog geen rekening hebben gehouden met de loon- en prijsontwikkeling 2020. De ramingen zijn gebaseerd op het prijspeil 2019. In de vertaling van de meicirculaire van 2020 komen we terug op deze indexering.

 

Stelpost looncompensatie

In de thans voorliggende begroting 2020 is de onlangs afgesloten cao met een looptijd van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021 verwerkt. De loonontwikkeling in deze cao samen met de loonontwikkeling in andere sectoren heeft ons doen besluiten de stelpost looncompensatie meerjarig te handhaven op 2%. Van deze 2% is 1,5% verwerkt in de begroting van Noaberkracht en voor de overige 0,5% ramen beide gemeenten een stelpost. Of en in hoeverre deze stelpost voldoende is om toekomstige cao verplichtingen op te kunnen vangen te dekken kunnen we op dit moment nog niet inschatten.

 

Stelpost prijscompensatie

Onze stelpost prijscompensatie is via besluitvorming uit de begroting 2018 gebaseerd op een percentage van 1,5%. In de conceptbegroting 2020 is het beschikbare budget van € 125.000 ingezet ter dekking van meerdere begrotingsposten waar de effecten van de prijsstijging naar voren kwamen. Hierbij moet u denken aan hogere kosten energie, verzekeringen, enz. maar ook inkoop van goederen en diensten. Vanaf het jaar 2021 hebben we weer de beschikking over deze structurele stelpost.

 

Lokale lasten

In dit onderdeel 'Lokale lasten' geven we in het kort een overzicht van de gevolgen van de besluitvorming uit deze concept begroting voor de verschillende tarieven die van belang zijn voor de lokale lasten(druk).

In meerjarig perspectief gaan we op basis van bestaand beleid uit van een meerjarige indexering van de ozb opbrengsten die moet leiden tot een jaarlijkse meeropbrengst van 2% per jaar (exclusief areaalaanpassing). Dit betekent dat de onroerende zaakbelasting  voor een woning met een gemiddelde woningwaarde van € 250.000 stijgt van € 381,00 in 2019 naar een bedrag van  € 388,50 in 2020.

 

Voor de afvaltarieven hanteren we op basis van bestaand beleid 100% kostendekkendheid. Dat wil zeggen dat we de kosten die we maken voor de afvalinzameling en afvalverwerking doorberekenen in de tarieven. Voor het jaar 2019 zijn de verschillende tarieven als volgt vastgesteld:

Vastrecht                                                           € 88

Bedrag per lediging grote bak              € 10,60

Bedrag per lediging kleine bak             € 6,50

Chipkaart lediging verzamelcontainer (bovengronds) € 0,85

Chipkaart lediging verzamelcontainer (ondergronds) € 1,20

Ondanks een verdere verhoging van de afvalstoffenbelasting (in de volksmond verbrandingsheffing) op het verbranden van restafval denken wij de kostendekkendheid van de afvalinzameling en afvalverwerking re kunnen waarborgen zonder de tarieven te hoeven verhogen voor het jaar 2020 .

 

De hoogte van het rioolrecht is  gebaseerd op het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2019-2023. Belangrijke input voor dit nieuwe GRP zijn de gevolgen van de zogenaamde klimaatadaptie. Tijdens een aantal informele en informatieve bijeenkomsten zijn de leden van de gemeenteraad hierover geïnformeerd. Tijdens deze bijeenkomsten is duidelijk geworden dat de gevolgen van de klimaatadaptie de nodige inspanningen en investeringen gaan vergen die ook geld gaan kosten en dus doorwerken in de tarieven. Exacte duidelijkheid over de omvang van deze inspanningen en investeringen  moet de zogenaamde “stresstest” geven. Deze stresstest gaat plaatsvinden in het najaar van 2019. In het nieuwe GRP 2019-2023 kunnen we dus niets anders dan een goed onderbouwde aanname doen van de te verwachten financiële gevolgen. Een eerste inschatting gaat uit van een extra kostenpost vanaf 2019 van € 700.000.  We kiezen er voor deze kosten in afwachting van meer duidelijkheid op grond van de zogenaamde stresstest nog niet door te berekenen in het tarief aan de burger. Ook de inflatiecorrectie van 1,6% laten we in afwachting van meer duidelijkheid achterwege.

 

Samenvattend ontstaat het volgende beeld van de verschillende tarieven en de lokale lastendruk voor het jaar 2020:

  2019 2020 verschil
      in € in %
Ozb (woning €250.000) €381,00 €388,50 €7,50 1,97%
Rioolrecht eigenaar €265,60 €265,60 €0,00 0,00%
Afval        
- vastrecht €88,00 €88,00 €0 0,00%
Totaal €734,60 €742,10 €7,50 1,02%

Herzien meerjarig saldo

Gezien het feit dat de specifieke mutaties geen invloed hebben op het herziene meerjarige saldo kunnen we voor de stand van zaken teruggrijpen op het gepresenteerde herziene meerjarige saldo na ombuigingsmaatregelen (voorheen denkrichtingen). Dit ziet er als volgt uit:

(bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023
Stand perspectiefnota 2020 -847 -778 -1.186 -1.051
Totaal mutaties bestaand beleid 122 119 318 713
Totaal denkrichtingen 591 847 1.078 1.287
Herzien meerjarig saldo na denkrichtingen -134 188 210 949

Aan de hand van deze tabel kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Een tekort in het begrotingsjaar 2020
  • Een sluitende meerjarenbegroting

We moeten ons echter wel beseffen dat in deze gepresenteerde saldi een aantal zaken wel maar ook een aantal zaken (nog) niet zijn opgenomen. Deze zaken willen wij graag onder uw aandacht brengen zodat de eerdere conclusies wel in het juiste perspectief worden geplaatst.

 

Zaken die wel (financieel) zijn verwerkt in het thans voorliggende meerjarige perspectief

  • Volledige invulling uitvoeringsplan sociaal domein (voorheen transformatieplan). De opbrengsten hiervan lopen op van € 126.000 in 2019 tot een structureel bedrag van € 582.000 vanaf 2022. De ingeboekte opbrengst voor de jaarschijf 2019 is inmiddels structureel gerealiseerd en ook ingevuld.
  • Voor de jaren 2022 en 2023 gaan we, vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek, uit van het doortrekken van de extra rijksvergoeding voor de jeugdzorg van € 340.000 per jaar.
  • Volledige invulling van de opbrengsten op grond van ombuigingsmaatregelen gebaseerd op de denkrichtingen uit de perspectiefnota
  • Het schrappen van de stelposten voor nieuw beleid. Dit betekent dat er de komende jaren alleen ruimte is voor (structureel) nieuw beleid door heroverweging van bestaand beleid

Het, naar onze mening, belangrijkste onderwerp dat nog niet (financieel) verwerkt/meegenomen is in het thans voorliggende meerjarige perspectief is de herijking verdeling gemeentefonds.

 

Herijking verdeling gemeentefonds

Het Rijk werkt samen met de VNG aan een herijking van de verdeling van het gemeentefonds. Deze herijking moet leiden tot een toekomstbestendige verdeling met als uitgangspunten stabiliteit, vereenvoudiging en uitlegbaarheid. Deze herijking was in eerste instantie opgedeeld in de volgende twee onderdelen

  • Sociaal domein
  • Het klassieke deel

Als onderdeel van de herijking van het klassieke deel is ook de inkomstenverevening benoemd. Gaandeweg bleek dat deze inkomstenverevening dermate belangrijk kan zijn in de totale herijking dat vanaf medio 2019 feitelijk wordt gesproken over drie onderdelen.

In totaliteit heeft deze herijking  betrekking op een totaalbedrag van € 30 miljard. Invoering van de nieuwe verdeling is voorzien in 2021.

De afronding van de onderzoeken is gepland in januari 2020. De fondsbeheerders komen kort daarna met een voorstel voor aanpassing van de verdeling en zullen hierover zoals gebruikelijk advies vragen aan de VNG en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). Na advies van VNG en ROB volgt het bestuurlijke besluitvormingstraject. Dit houdt in dat in een bestuurlijk overleg tussen Rijk en VNG een beslissing zal worden genomen over de nieuwe verdeling. Ook tussentijds zijn bestuurlijke overleggen tussen Rijk en VNG voorzien, namelijk in november 2019 en januari 2020. In het voorjaar van 2020 zal de Tweede Kamer vervolgens per brief over de voorstellen voor de nieuwe verdeling worden geïnformeerd. Gemeenten worden uiterlijk in de meicirculaire 2020 over de uitkomsten geïnformeerd.

Uiteraard zullen wij waar nodig en waar mogelijk onze stem laten horen en zullen we u als raadsleden op de hoogte houden van de laatste ontwikkelingen op dit vlak. Wij zien op grond van eerdere ervaringen met herverdelingen van rijksmiddelen echter wel een (financieel) risico. De laatste herverdelingen van rijksmiddelen hebben namelijk voor kleine(re) gemeenten en dan vooral in het oosten van het land vaak negatief uitgepakt. Wij stellen dan ook voor om met ingang van het jaar 2021 (ingang van de herverdeling) rekening te houden met een meerjarig nadelig effect.

Voorgesteld wordt om rekening te houden met een nadelig effect van de herijking verdeling gemeentefonds oplopend van een bedrag van € 150.000 in 2021 oplopend naar een structureel bedrag van € 300.000 vanaf het jaar 2023 en dit te verwerken in het herziene meerjarige saldo. 

 

Rekening houdend met deze te verwachten nadelige effecten herijking verdeling gemeentefonds ontstaat het volgende herziene meerjarige saldo:

(bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023
Stand perspectiefnota 2020 -847 -778 -1.186 -1.051
Totaal mutaties bestaand beleid 122 119 318 713
Totaal denkrichtingen 591 847 1.078 1.287
Herijking verdeling gemeentefonds 0 -150 -200 -300
Herzien meerjarig saldo na denkrichtingen -134 38 10 649

 

De conclusies en de opmerkingen die in het begin van dit hoofdstuk zijn genoemd blijven van kracht met dien verstande dat een stuk extra behoedzaamheid is ingebouwd waar het gaat om de (nadelige) te verwachten effecten van de herijking verdeling gemeentefonds. Dit wil echter niet zeggen dat we daarmee alle mogelijke (financiële) risico’s volledig (meerjarig) hebben afgedekt. Zoals u inmiddels weet en zoals we de afgelopen jaren meerdere malen hebben ondervonden blijven de ramingen binnen het sociaal domein met de nodige risico’s en onzekerheden omgeven. Hierbij moeten we wel opmerken dat de stijging van de kosten wat lijkt af te vlakken waardoor het totaal van de uitgaven wat lijkt te stabiliseren. Dit neemt niet weg dat de risico’s en onzekerheden blijven. Middels het ramen van (extra) weerstandsvermogen proberen we hier zo goed mogelijk rekening mee te houden. Daarnaast moeten we niet vergeten dat de vergoeding die we ontvangen van het rijk voor het uitvoeren van de (nieuwe) taken binnen het sociaal domein onvoldoende is om de uitgaven te dekken.  Het tekort (wat we nu oplossen via de algemene middelen) bedraagt voor het jaar 2020 ongeveer € 1,8 miljoen.

Naast de risico’s en onzekerheden binnen het sociaal domein voor onze meerjarige begrotingspositie willen we ook de situatie rondom de stikstofproblematiek in dit kader niet onvermeld laten.

Het is gezien de aangegeven noodzakelijke maatregelen namelijk niet geheel ondenkbaar dat dit ook onze meerjarige begrotingspositie gaat raken. Uiteraard houden wij u hiervan op de hoogte.

Samenvattend kunnen we concluderen dat we een sluitende meerjarenbegroting hebben en alleen voor het jaar 2020 een beroep moeten doen op onze algemene reserve.

Voorgesteld wordt het nadelige saldo over het jaar 2020 ten bedrage van € 134.000  te onttrekken aan de algemene reserve.

6. Incidenteel beschikbare middelen waaronder de (belangrijkste) reserves

Incidenteel beschikbare middelen waaronder de (belangrijkste) reserves

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van onze beschikbare algemene incidentele middelen. Hierbij is rekening  gehouden met de voorstellen zoals die eerder in dit hoofdstuk zijn gedaan. Voor een totaal overzicht van al onze reserves (en voorzieningen) verwijzen wij u naar het overzicht reserves en voorzieningen dat als bijlage bij deze begroting is opgenomen. In dit totale overzicht zijn ook de reserves (en voorzieningen) opgenomen die op grond van eerdere besluitvorming door uw raad al van een bestemming zijn voorzien.

 

We beginnen echter met de zogenaamde programmagelden (project en procesgelden) voor de verschillende uitdagingen.

 

Project en procesgelden duurzaamheid

In de begroting 2018 is een incidenteel budget van € 1,6 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitdaging duurzaamheid. Van dit incidentele budget heeft een bedrag van € 225.000 betrekking op procesgeld. Rekening houdend met eerdere besluitvorming uit de begroting 2019 (uitvoering Maatschappelijk effecten Plan), perspectiefnota 2020 en programmajournaals 2019 resteert nog een incidenteel bedrag van € 911.500 aan project en procesgelden duurzaamheid. Hier tellen we het extra beschikbaar gestelde bedrag van € 1 miljoen voor de energietransitie uit het koersdocument bij op zodat er voor de komende periode een bedrag van € 1.911.500 beschikbaar is aan programmagelden duurzaamheid (project- en procesgeld).

 

Project en procesgelden maatschappelijk vastgoed in relatie tot demografie

In de begroting 2018 is een incidenteel budget van € 1 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitdaging maatschappelijk vastgoed. Van dit incidentele budget heeft een bedrag van € 225.000 betrekking op procesgeld. Rekening houdend met eerdere besluitvorming uit de begroting 2019 (uitvoering Maatschappelijk Effecten Plan), perspectiefnota 2020 en programmajournaals 2019 resteert nog een incidenteel bedrag van € 748.000 aan programmagelden maatschappelijk vastgoed Project- en procesgeld).

De kosten van kwartiermaker verzelfstandiging Dorper Esch brengen wij voor een deel (€ 66.000) ten laste van de programmagelden maatschappelijk vastgoed. Rekening houden met deze incidentele claim resteert een bedrag aan programmagelden maatschappelijk vastgoed van € 682.000.

 

Project en procesgeld inbreiding voor uitbreiding

In de begroting 2018 is een incidenteel budget van €1,8 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitdaging inbreiding. Van dit incidentele budget heeft een bedrag van € 200.000 betrekking op procesgeld. Rekening houdend met eerdere besluitvorming uit de begroting 2019 (uitvoering Maatschappelijk Effecten Plan), perspectiefnota 2020 en programmajournaals 2019 resteert nog een incidenteel bedrag van € 1.194.000 aan programmagelden (project- en procesgelden) inbreiding voor uitbreiding. Naast een aantal kleinere posten hebben we als college ingestemd met het verstrekken van een eenmalige subsidie van € 75.000 als cofinanciering, in het kader van de gebiedsontwikkeling Noordoost Twente, bij de realisatie van het “Dorpshart Lattrop”.

Hiermee rekening houdend resteert een bedrag van € 1.116.000 aan programmagelden inbreiding voor uitbreiding (project en proces).

 

Weerstandsvermogen (algemene reserve en reserve grondbedrijf)

In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing, opgenomen in deze begroting 2020, is de laatste stand van zaken van de benodigde weerstandscapaciteit opgenomen. De berekening van de benodigde weerstandscapaciteit komt voor de begroting 2020 uit op een bedrag van € 3,6 miljoen. Rekening houdend met de vastgestelde ratio van 1,4 komt dit neer op een benodigde en beschikbare weerstandscapaciteit van € 5.040.000.

De geraamde stand van het beschikbare weerstandsvermogen (de beide algemene reserves) bedraagt per 1 januari 2020 € 4.005.000. Rekening houdend met een aantal grotere mutaties in de loop van het jaar 2020 (aankoop en afwaardering gronden en een correctie op de winstneming van de grondcomplexen) verwachten we voor het jaar 2020 op de ratio van 1,4 uit te komen.

 

Reserve Riool

In de begroting 2017 is een incidenteel bedrag van € 2 miljoen beschikbaar gesteld om de gevolgen van de klimatologische omstandigheden (deels) op te vangen. Aangegeven is dat deze reservering wordt betrokken bij het opstellen van het nieuwe Gemeentelijke Rioleringsplan (behandeling gemeenteraad november 2018. Tijdens deze behandeling is heel nadrukkelijk de link gelegd met de zogenaamde “stress tests” die eind 2019 worden uitgevoerd. De uitkomsten van deze “stress tests” moeten een beeld geven van de noodzakelijke investeringen aan het rioolstelsel. Op dat moment ontstaat ook een beeld van de noodzakelijke hoogte van deze reserve.

 

Extra weerstandsvermogen Sociaal domein

Binnen de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen hebben is op grond van eerdere besluitvorming rekening gehouden met een extra bedrag aan weerstandsvermogen van € 1,0 miljoen voor het sociaal domein. Het tekort van € 723.000 op het sociaal domein over het jaar 2018 zoals dat bleek uit het tweede programmajournaal 2018 is hier  op in mindering gebracht. Daarnaast heeft er via het zelfde tweede programmajournaal 2018 een aanvulling plaatsgevonden van € 173.000. Dit betekent dat er per 1 januari 2019 nog een bedrag als extra weerstandsvermogen resteert van € 450.000 waarmee we bij het berekenen van de vrije ruimte binnen de reserve incidenteel beschikbare middelen rekening moeten houden.

 

Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen

Rekening houdend met de besluitvorming uit de perspectiefnota 2020 (incl. eerste programmajournaal 2019) resteerde er een bedrag in deze reserve van € 6.317.000. Op dit resterende saldo moeten nog een aantal zaken in mindering worden gebracht.

Herziene stand (bedragen x €1.000) 6.317
Denkrichtingen perspectiefnota 2020  
- Agenda van Twente -393
- Creëren structurele begrotingsruimte -210
Overige  
- Zwembad Kuiperberg -534
- Special Olympics Twente -28
 - Overige correcties 2e programmajournaal 2019 133
Totaal voorstellen -1.165
   
Herziene stand 5.285

 

Denkrichtingen perspectiefnota 2020

De beide mutaties onder de denkrichtingen perspectiefnota 2020 slaan op de zogenaamde financieel technische maatregelen. Bedoeling hiervan  was en is m met de inzet van incidentele middelen (o.a. deze reserve) structurele begrotingsruimte te creëren. Nu in deze begroting daadwerkelijk besloten is om deze denkrichtingen om te zetten in daadwerkelijke maatregelen formaliseren we ook het beroep op deze reserve.

 

Zwembad Kuiperberg

In de laatste week van september heeft het college besloten om de gemeenteraad voor te stellen het zwembad Kuiperberg, conform hetgeen is gesteld in het coalitieakkoord, toekomstbestendig te maken. Het college stelt voor om daarbij uit te gaan van scenario 4 (voorkeursscenario), waarbij geïnvesteerd wordt in het uitvoeren van onderhoud conform de NEN-norm (Normalisatie en Normen), facelift gebouwen en terrein voor een frisse en moderne uitstraling en het toevoegen van diverse speelvoorzieningen om het zwembad aantrekkelijker te maken

In het betreffende raadsvoorstel, concept raadsbesluit en de financiële bijlage is bij de berekening van de bedragen ervan uit gegaan dat de btw volledig wordt gecompenseerd door de zogenaamde SPUK vergoeding. Eind september (dus na verzending raadsvoorstel) is bekend geworden dat de SPUK-vergoeding voor 2019 geen 100% van de btw bedraagt maar 81,7%. Dit omdat er landelijk meer vergoeding is aangevraagd dan budget beschikbaar is. Op basis van deze info wordt voorzichtigheidshalve voor de SPUK 2020 en volgende jaren uitgegaan van 81,7%. Feitelijk zou als gevolg hiervan de bedragen in bijgaande stukken aangepast moeten worden. Omdat dan alle bedragen gewijzigd moeten worden en de kans groot is dat dit leidt tot verwarring bij raadsleden heeft het college er voor gekozen om het raadsvoorstel intact te laten, het eindelijke financiële effect in oktober mondeling te melden in de raadscommissie en raad en daarbij aan te geven dat de juiste bedragen worden opgenomen in de begroting 2020 die in november aan de raad wordt voorgelegd. Het financiële effect komt erop neer dat het bedrag van € 514.000 dat ten laste van de reserve incidentele middelen komt, verhoogd moet worden € 534.000.

 

Special Olympics Twente 2022

In het najaar van 2017 is door alle veertien Twentse gemeenten de regionale visie op Sport en Bewegen vastgesteld. Onderdeel van deze visie was de ambitie om te verkennen of het mogelijk is om de Special Olympics in onze regio te kunnen organiseren. De Special Olympics is een nationaal sportevenement voor mensen met een beperking.  In januari van dit jaar hebben wij u al geïnformeerd over het onderzoek dat wij willen laten doen naar de haalbaarheid van het organiseren van dit evenement. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bereidheid onder vele partners groot is om dit evenement naar onze regio te halen. Voor de organisatie van dit evenement wordt uitgegaan van een begroting van maximaal € 1,5 miljoen. De veertien Twentse gemeenten dragen hier € 500.000 aan bij. Er is een staffel gemaakt op basis van het aantal inwoners per gemeente. Voor onze gemeente betekent dit een bedrag van € 27.500. In het najaar wordt duidelijk of alle gemeenten willen bijdragen en of er een beroep wordt gedaan op deze financiële bijdrage in 2022. Zonder vooruit te willen lopen op de daadwerkelijke besluitvorming dit najaar stellen wij al wel voor om bij het bepalen van de vrije ruimte in deze reserve al rekening te houden met deze mogelijke claim.

 

Overige correcties 2e programmajournaal 2019

In het tweede programmajournaal 2019 zijn een aantal mutaties op deze reserve doorgevoerd die tezamen een voordelig effect hebben. Zo is de € 50.000 die gereserveerd was voor de BTW problematiek de binnensport accommodaties niet benodigd. Deze lasten zijn via de paragraaf mutaties bestaand beleid opgenomen in de begroting. Daarnaast zijn een aantal kleinere onttrekkingen  niet of niet geheel nodig geweest (basisinventarisatie huidige stand van zaken beleidsinstrumenten maatschappelijke veiligheid.

Totaaloverzicht beschikbare algemene incidentele middelen

Beschikbare algemene incidentele middelen miljoen €
- Weerstandscapaciteit ratio 1,4 (algemene reserve en reserve grondbedrijf) 5,04
- Extra weerstandsvermogen Sociaal Domein 0,45
- Reserve Riool 2,00
- Project- en procesgelden duurzaamheid (inclusief energietransitie) 1,91
- Project- en procesgelden maatschappelijk vastgoed in relatie tot demografie 0,68
- Project- en procesgelden inbreiding voor uitbreiding 1,11
- Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen 5,28
Totaal beschikbare algemene incidentele middelen 16,47

 

Aanwezige weerstandscapaciteit

Uitgaande van de, door de gemeenteraad vastgestelde, ratio van 1,4 houden we een aanwezige weerstandscapaciteit aan van € 5,04 miljoen. Deze aanwezige weerstandscapaciteit wordt gevormd door de algemene reserve.

 

Extra weerstandsvermogen Sociaal domein

In navolging van het koersdocument en de begroting 2019 wordt voorgesteld het resterende bedrag aan extra weerstandscapaciteit aan te houden van € 0,45 miljoen voor de onzekerheden en risico’s binnen het Sociaal Domein. De onderbouwing hiervan is opgenomen in deze perspectiefnota 2020.

 

Reserve riool

In de begroting 2017 is een incidenteel bedrag van € 2 miljoen beschikbaar gesteld om de gevolgen van de klimatologische omstandigheden (deels) op te vangen. Zoals in het nieuwe Gemeentelijke Rioleringsplan is aangegeven wordt deze reservering betrokken bij de uitkomsten van de zogenaamde “stress tests”.

 

Project en procesgelden duurzaamheid (inclusief energietransitie)

Zoals eerder in deze paragraaf is aangegeven resteert er een bedrag van € 1,91 miljoen aan projectgeld duurzaamheid (inclusief energietransitie). Dit bedrag kan in de loop van de planperiode van het MEP worden ingezet voor concrete projecten.

 

Project en procesgelden maatschappelijk vastgoed in relatie tot demografie.

Zoals eerder in deze paragraaf is aangegeven resteert er een bedrag van € 0,68 miljoen aan projectgeld en procesgeld maatschappelijk vastgoed. Dit bedrag kan in de loop van de planperiode van het MEP worden ingezet voor concrete projecten en procesgeld.

 

Project en procesgelden inbreiding voor uitbreiding.

Zoals eerder deze paragraaf is aangegeven resteert er een bedrag van € 1,11 miljoen aan projectgeld en procesgeld inbreiding voor uitbreiding. Dit bedrag kan in de loop van de planperiode van het MEP worden ingezet voor concrete projecten en procesgeld.

 

Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen (RIBAM)

Zoals eerder deze paragraaf is aangegeven resteert er een bedrag van € 5,28 miljoen aan incidenteel beschikbare algemene middelen.