Meer
Publicatiedatum: 15-06-2020

Inhoud

Financieel hoofdstuk perspectiefnota 2021 (inclusief eerste programmajournaal 2020)

Opbouw van het hoofdstuk

Opbouw van het hoofdstuk

Om een gestructureerd beeld te geven van de opbouw en het verloop van het meerjarige saldo volgen we onderstaande opzet:


Allereerst ziet u in paragraaf 1 het beginsaldo van deze perspectiefnota (inclusief 1e programmajournaal 2020) weergegeven. Dit saldo vindt zijn oorsprong in de programmabegroting 2020 en vormt de basis waarmee verder wordt gewerkt.


In paragraaf 2 schetsen we de mutaties op de uitvoering van het bestaande beleid of al eerdere besluitvorming. Feitelijk hebben we het hier over het financiële deel van het eerste programmajournaal 2020.

 

In paragraaf 3 brengen we in beeld wat het doorvoeren van de mutaties op basis van bestaand beleid betekenen voor het herziene meerjarige saldo. Ook dit deel heeft betrekking op het financiële deel van het eerste programmajournaal 2020.

 

In de volgende  paragraaf treft u een aantal specifieke mutaties aan Het betreft hier mutaties die wat verder gaan dan het bestaande (en dus vastgestelde beleid) en die door hun omvang en mogelijke bestuurlijke impact wel een specifieke plek met beschrijvende toelichting verdienen. Hoewel de daadwerkelijke invloed op dit soort specifieke mutaties vaak niet erg groot is er wel degelijk een stukje keuzevrijheid.

 

Paragraaf 5 geeft een richtinggevende doorkijk van het herziene meerjarige saldo waarbij de financiële consequenties van de richtingen betreffende de specifieke mutaties zijn door vertaald.  In paragraaf 6 hebben we, eveneens in richtinggevende zin, een prioritering aangeven voor wat betreft nieuw beleid.

 

Tot slot geven we in paragraaf 7 een overzicht van de incidenteel beschikbare algemene middelen waaronder de (belangrijkste) reserves. Hier is rekening gehouden met de financiële consequenties uit het eerste (financiële) programmajournaal 2020 en een deel van de voorstellen op het gebied van nieuw beleid. 

 

De uitgangspunten in paragraaf 8 betreffen een opsomming van een aantal algemene uitgangspunten die van toepassing zijn voor het opstellen van de begroting 2021.  

1. Meerjarig saldo begroting 2020

Meerjarig saldo perspectiefnota 2020

Tijdens het opstellen van de begroting 2020, bleek dat het financiële meerjarige perspectief van de gemeente Dinkelland tekorten kende. Met name hogere kosten binnen het sociaal domein maar ook een aantal hogere bijdragen aan de verbonden partijen waren hier de oorzaak van. Het college heeft in de perspectiefnota een set aan denkrichtingen gezocht om de meerjarenbegroting sluitend te krijgen. Uitgangspunt hierbij was een structureel sluitend meerjarig perspectief. Deze denkrichtingen zijn verder uitgewerkt en betrokken bij het opstellen van de begroting 2020. Met het vaststellen van de begroting 2020 en rekening houdend met een aantal door de raad aangenomen amendementen zijn deze denkrichtingen omgezet in daadwerkelijke ombuigingsmaatregelen. Deze zijn opgenomen in de begroting 2020 en hebben geleid tot het volgende meerjarige begrotingssaldo:

 

(bedragen x €1.000) 2020 -2021 2022 2023 2024
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 -134 38 10 649 984
Onttrekking aan algemene reserve 134 0 0 0 0
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 0 38 10 649 984

2. Mutaties bestaand beleid (eerste programmajournaal 2020)

Mutaties bestaand beleid (eerste programmajournaal 2020)

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van de verschillende mutaties op basis van bestaand beleid. Dit kunnen autonome ontwikkelingen zijn of zaken waarover reeds besluitvorming heeft plaats gevonden. De autonome ontwikkelingen vinden vooral hun oorsprong in de jaarrekening 2019 en in de ervaringscijfers over de eerste 3 maanden 2020.

 

Mutaties bestaand beleid 2020 2021 2022 2023 2024
Algemene uitkering          
- Mutatie algemene uitkering december circulaire 127 51 10 -30 -70
- Uitstel herverdeling gemeentefonds 0 150 0 0 0
Sociaal domein 168 -10 -5 -22 -31
Voorziening pensioenen wethouders -88 -88 -88 -88 -88
Stelpost kapitaallasten samen scholen 0 150 0 0 0
Meerjaren Onderhouds Plan Dorper Esch 0 0 0 0 0
Lokaal sportakkoord 0 0 0 0 0
Rente nieuwe leningen -41 -39 -37 -35 -33
BTW 70 70 70 70 70
Verbonden partijen          
- Noaberkracht 135 0 0 0 0
- Regio Twente 0 -52 -52 -52 -52
- Veiligheidsregio Twente 0 -114 -114 -114 -114
- Omgevingsdienst Twente 0 -8 -8 -8 -8
- Inzet stelpost verbonden partijen 0 75 75 75 75
Overige kleine mutaties -20 -13 -13 -12 -12
Totaal mutaties 351 172 -162 -216 -201

 

Algemene uitkering
De financiële gevolgen van de decembercirculaire 2019 zijn in beeld gebracht en door vertaald. Het betreft hier vooral een aantal aanpassingen van de maatstaven en de gewichten en een bijstelling van onze stelposten voor loon- en prijscompensatie. Ook ontvangt de gemeente Dinkelland voor de jaren 2020 en 2021 een extra bedrag voor het project kansrijke start. Hiervoor wordt een stelpost in afwachting van te ontwikkelen beleid geraamd

 

Inmiddels is ook bekend geworden dat de herverdeling gemeentefonds met in ieder geval 1 jaar is uitgesteld. Dit betekent dat we de, bij de begroting opgenomen stelpost voor het jaar 2021 ten bedrage van € 150.000 op incidentele basis kunnen laten vrijvallen. Bij het onderdeel specifieke mutaties komen we terug op de mogelijke gevolgen van de herverdeling gemeentefonds.

 

Sociaal domein
Hieronder is een specificatie aangegeven van de belangrijkste mutaties binnen het sociaal domein met de bijbehorende toelichting. De mutaties zijn met name structurele doorwerkingen uit de jaarstukken 2019.

 

2020

2021

2022

2023

2024

Leerlingenvervoer

-68

-68

-68

-68

-68

Restauratie Molen oude hengel

-30

0

0

0

0

Bijstand

51

47

71

95

177

Wsw

236

18

-1

-42

-71

Hulpmiddelen

38

35

35

35

35

Twents model - uitvoeringskosten

-30

-30

-30

-30

-30

Huishoudelijke ondersteuning

-12

-12

-12

-12

-12

Vervoer dagbesteding

23

23

23

23

23

Abonnementstarief Wmo

-55

-55

-55

-55

-55

Wmo – ondersteuning individueel

145

165

165

165

165

Wmo – ondersteuning groep

169

169

169

169

169

Jeugdzorg – jaarstukken

-309

-309

-309

-309

-309

Jeugdzorg – POH ggz besparing

75

0

0

0

0

Jeugdzorg - uitvoeringsplan

-75

0

0

0

0

Kleine wijzigingen

10

7

7

7

7

Totaal Sociaal Domein

        168

-10

-5

-22

31

 

Leerlingenvervoer

Het nadeel in de jaarstukken 2019 met betrekking tot leerlingenvervoer kent een structurele doorwerking. Daarnaast is de NEA-indexatie 2020 berekend op 6,7%, deze indexatie is fors hoger dan voorgaande jaren en het percentage dat is meegenomen in de raming voor het jaar 2020 (2,2%). In 2017, 2018 en 2019 stegen de kosten met respectievelijk 0,3%, 2% en 2,2%. Deze kostenstijging wordt veroorzaakt door stijging van lonen, hogere kosten voor verzekeringen, afschaffing van de teruggaveregeling bpm (belasting van personenauto’s en motorrijwielen) per 1 januari 2020 en het in werking treden van de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB).

 

Vanuit het uitvoeringsplan sociaal domein starten we medio 2020 met een verkenning van de maatregelen inzake leerlingenvervoer met een analyse op de kosten en welke andere mogelijkheden er eventueel zijn.

 

Restauratie Molen oude Hengel

Dit incidentele nadeel wordt veroorzaakt doordat de restauratie niet geheel in 2019 is uitgevoerd en het incidentele budget voor de restauraties van molens en kerken is komen te vervallen met ingang van 2020. De resterende kosten voor 2020 bedragen ca. € 30.000, per abuis is deze niet meegenomen in de begroting 2020.

 

Bijstandsuitkeringen

Het betreft hier mutaties op zowel de inkomsten als uitgaven met betrekking tot de bijstandsuitkeringen.

 

De gebundelde uitkering in de begroting 2020 is gebaseerd op de gegevens uit de meicirculaire 2019. In oktober 2019 is het definitieve budget voor 2019 bekend gemaakt, evenals het voorlopige budget 2020. Daarnaast heeft het Rijk aangekondigd dat het macrobudget in 2020 naar beneden bijgesteld gaat worden als gevolg van een aanpassing van de werkloosheidsramingen van het Centraal Plan Bureau (CPB).

 

Er zijn drie mutaties m.b.t. de bijstand uitgaven uit de jaarstukken die meerjarig doorwerken:

  1. Met ingang van 1 januari 2020 valt het levensonderhoud van de gevestigde zelfstandige ondernemers onder de gebundelde uitkering (i.p.v. specifieke uitkering Bbz). Met deze wijziging is de financieringssystematiek voor alle zelfstandige ondernemers gelijk getrokken, aangezien startende ondernemers al langer onder de gebundelde uitkering vallen. De raming voor het levensonderhoud van zelfstandige ondernemers wordt op basis van de jaarstukken verhoogd, daarnaast is ook de aflossing die wordt ontvangen hoger. Per saldo betekent dit een structureel nadeel van € 16.500.
  2. De raming voor de bijstandsuitkeringen Participatiewet, IOAW en IOAZ is gebaseerd op een gemiddelde van 200 uitkeringen met een uitkeringslast van € 14.900 per uitkering per jaar. In 2019 was het werkelijke gemiddelde 195 uitkeringen met een uitkeringslast van € 14.500 per jaar. Deze bijstelling zorgt voor een structureel voordeel van ca. € 153.000.
  3. Door de uitstroom in het aantal bijstandsuitkeringen verstrekken we meer loonkostensubsidies voor garantiebanen. Daarnaast is rekening gehouden met loonkostensubsidie voor 5 fte nieuw beschut voor 2020, echter zijn er op dit moment 4 fte in dienst. Per saldo een mutatie op de loonkostensubsidies van € 2.000 voordelig.

 

Sociale werkvoorziening
De mutatie op de sociale werkvoorziening kent een tweetal componenten, enerzijds de exploitatiebijdrage en anderzijds de rijksbijdrage per arbeidsjaar (subsidie-eenheid aan die gekoppeld is aan een fte Wsw, waarop mede de hoogte van het Wsw-deel in de rijksvergoeding wordt gebaseerd).

 

Uit de jaarstukken 2019 van de SPD blijkt een voordelig resultaat van circa €234.000, gezien de stand van de reserve van de SPD maximaal is, ontvangt de gemeente Dinkelland dit bedrag geheel terug van de SPD. Dit zorgt voor een incidenteel voordeel in 2020.

 

In de septembercirculaire 2019 is het bedrag aan rijkssubsidie per arbeidsjaar bijgesteld en heeft een bijstelling plaatsgevonden van het aantal arbeidsjaren (verwachte uitstroom Wsw). Dit zorgt voor de volgende mutaties:

2020

2021

2022

2023

2024

2

18

-1

-42

-71

 

De mutaties in 2023 en 2024 worden veroorzaakt doordat de verwachte aantallen arbeidsjaren Wsw van het Rijk lager zijn dan de lokale situatie bij de Stichting Participatie Dinkelland (SPD).

 

Hulpmiddelen

Vanaf 2019 hebben we structureel rekening gehouden met een instroom op de hulpmiddelen als gevolg van de aanzuigende werking van het abonnementstarief Wmo. Door de lagere instroom ontstaat een voordeel op hulpmiddelen van € 38.000 in 2020 en € 35.000 vanaf 2021. Het verschil tussen 2020 en 2021 wordt veroorzaakt door een wijziging in de incidentele opbrengst (2019 en 2020) van de overname van het bestand uitstaande hulpmiddelen door de leveranciers.

 

Twents model

De implementatie en uitvoering van het Twents model brengt structurele kosten met zich mee. Dit zijn bijvoorbeeld juridische kosten, extra inzet m.b.t. het barrièremodel, de Twentse Monitor Sociaal Domein, enz. Deze kosten worden doorberekend aan de gemeenten na besluitvorming in de bestuurscommissie van het OZJT (Organisatie voor Zorg & Jeugdhulp Twente). In eerste instantie gaan we uit van een extra last van € 30.000 structureel.

 

Huishoudelijke ondersteuning

De mutatie op huishoudelijke ondersteuning bestaat uit meerdere ontwikkelingen:

  1. De doorwerking van de jaarcijfers 2019 zorgt voor een structurele verlaging van het budget van € 65.000 gezien er minder instroom is geweest in 2019 dan verwacht.
  2. In 2020 is opnieuw rekening gehouden met een instroom van ca. 50 cliënten. Op basis van de cijfers van 2019 verwachten we geen instroom van 50 cliënten, maar stellen we deze met 10 cliënten naar beneden bij. Dit zorgt voor een voordeel van ca. € 26.000.
  3. De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) reële kostprijs is sinds 1 juni 2017 van kracht. Op grond van deze AMvB zijn gemeenten en aanbieders gehouden een reële kostprijs te berekenen aan de hand van de in de AMvB genoemde kostprijselementen, waaronder toepassing van de relevante cao verpleging verzorging en thuiszorg (VVT). De AMvB verplicht gemeenten rekening te houden met de geldende cao en de daaruit vloeiende loonontwikkelingen. Voor het jaar 2020 betekent dit een tariefstijging van 5,25% voor huishoudelijke ondersteuning ten opzichte van 2019. Dit levert een nadeel op van € 103.000.

 

Vervoersdiensten dagbesteding Wmo en Jeugd

Het voordeel in de jaarstukken 2019 op het vervoer van en naar de dagbesteding kent (deels) een structurele doorwerking. De vervoerskosten zijn lager dan begroot, dit is in lijn met de afname van het aantal cliënten dagbesteding, echter is ook op het vervoer van en naar de dagbesteding de fors hogere NEA-index van 6,7% van toepassing per 1 januari 2020.

 

Abonnementstarief Wmo

Cliënten zijn voor het gebruik van Wmo voorzieningen een eigen bijdrage verschuldigd (het abonnementstarief Wmo). Deze bijdrage wordt geïnd door het CAK. Op basis van de werkelijke inkomsten in het jaar 2019 en de gefaseerde instroom in 2020 betekent dit een structureel nadeel van € 55.000.

 

Wmo ondersteuning individueel

De mutatie op individuele ondersteuning betreft een doorwerking van de jaarcijfers 2019 en een doorrekening op basis van de nieuwe tarieven over het jaar 2020.

  • Het gemiddeld aantal indicaties drie hoger is dan begroot, maar de gemiddelde hoogte van de indicatie lager is dan begroot. Daarnaast hebben in 2019 herindicaties plaatsgevonden, waardoor bekend is welke ondersteuningsbehoefte en bijbehorende tarieven van toepassing zijn op de indicaties. Hierdoor kunnen we de berekening op basis van een gemiddelde inschatting loslaten. De verwachting was dat relatief veel van onze cliënten in ondersteuningsbehoefte 2 (ondersteuning met regie, de duurdere vorm van ondersteuning) terecht zouden komen, daardoor is meerjarig gerekend met een hoger gemiddeld uurtarief dan in werkelijkheid het geval is. Eind 2019 blijkt dat 60% van de indicaties ondersteuningsbehoefte 1 betreft en 40% ondersteuningsbehoefte 2. Dit betekent een voordeel van € 201.000 structureel als gevolg van een structurele doorwerking uit de jaarcijfers.
  • In 2020 zijn de tarieven in 2020 met ca. 3% geïndexeerd, dat zorgt voor een nadeel van € 36.000 structureel.

 

Bijdrage chauffeursopleiding (€ 20.000)

In 2020 wordt een eenmalige bijdrage gedaan aan de coördinerende opleiding transport en logistiek Noordoost Twente ten behoeve van de praktijkopleiding voor leerlingen uit Dinkelland in de sector Transport en Logistiek, deze bijdrage wordt gedaan vanuit de Wmo in het kader van individuele begeleiding.

 

Wmo ondersteuning groep

De mutatie op groepsondersteuning betreft een doorwerking van de jaarcijfers 2019 en een doorrekening op basis van de nieuwe tarieven over het jaar.

  • Het gemiddeld aantal indicaties lager is dan begroot en waar de gemiddelde hoogte van de indicatie lager is dan begroot. Daarnaast hebben in 2019 herindicaties plaatsgevonden, waardoor bekend is welke ondersteuningsbehoefte en bijbehorende tarieven van toepassing zijn op de indicaties. Hierdoor kunnen we de berekening op basis van een gemiddelde inschatting loslaten. De verwachting was dat relatief veel van onze cliënten in ondersteuningsbehoefte 2 (ondersteuning met regie, de duurdere vorm van ondersteuning) terecht zouden komen, daardoor is meerjarig gerekend met een hoger gemiddeld uurtarief dan in werkelijkheid het geval is. Eind 2019 blijkt dat 75% van de indicaties ondersteuningsbehoefte 1 betreft en 25% ondersteuningsbehoefte 2. Dit betekent een voordeel van €298.000 structureel.
  • In 2020 zijn de tarieven met ca. 3% geïndexeerd, dat zorgt voor een nadeel van structureel € 28.000.

 

Een analyse op de uitgestroomde cliënten laat zien dat een gedeelte van het voordeel op Wmo groepsondersteuning is behaald doordat al een geruime tijd aandacht is voor de scheiding tussen de Wmo en Wlz, o.a. door het geven van voorlichting tussen de Wmo en Wlz bij thuiszorgorganisaties (ca. €100.000). Deze inspanning is opgenomen in het uitvoeringsplan sociaal domein en wordt uitgevoerd zodat de doorstroom van zorg, hulp en ondersteuning tussen de verschillende wet- en regelgeving soepel verloopt. Hierdoor is een gedeelte van de beoogde besparing van het uitvoeringsplan sociaal domein in 2020 behaald. Deze besparing kent een structurele doorwerking.

 

Jeugdzorg

De mutatie op jeugdzorg betreft een doorwerking van de jaarcijfers 2019, echter niet het gehele tekort over 2019 kent een structurele doorwerking blijkt uit een analyse van de productieverantwoordingen van de zorgaanbieders.

 

In 2019 zijn we in Dinkelland gestart met de pilot praktijkondersteuner huisartsen in de huisartsenpraktijk, een inspanning uit het uitvoeringsplan sociaal domein. De praktijkondersteuners verbreden de expertise van de huisartsenpraktijk, waardoor meer passende doorverwijzingen mogelijk zijn. Daarnaast kunnen de praktijkondersteuners de jongeren helpen zonder doorverwijzing. 

De eerste resultaten van de pilot laten zien dat er in 2019 minder doorverwijzingen zijn geweest door de inzet van de praktijkondersteuner en dus dat meer patiënten wel zouden worden doorverwezen als er geen praktijkondersteuner zou zijn geweest. Dat houdt in dat deze jeugdigen geen maatwerkvoorziening jeugdhulp nodig hebben gehad. Zonder de inzet van de praktijkondersteuners, zou het tekort op jeugdhulp in 2019 hoger zijn geweest. De pilot met betrekking tot de inzet van de praktijkondersteuner huisartsen wordt ook in 2020 gecontinueerd, waardoor de verwachting is dat de besparing van € 75.000 ook in 2020 wordt behaald. Deze besparing wordt voor 2020 toegerekend aan het uitvoeringsplan sociaal domein. Indien na de evaluatie van de pilot wordt besloten tot structurele inzet van de praktijkondersteuners, is een structureel budget nodig voor de inzet van deze praktijkondersteuners en kan ook de besparing structureel worden gerealiseerd.

 

Voorziening pensioenen wethouders

Uit de jaarverantwoordingen van de laatste jaren blijkt dat onze jaarlijkse storting in de voorziening pensioenen wethouders structureel te laag is. Aangezien het hier structurele lasten betreft moeten we ook zo goed mogelijk zorgen voor structurele dekking. Met de voorgestelde ophoging komen we op een structurele storting van €200.000.

 

Stelpost samen scholen

Gezien de laatste ontwikkelingen verwachten we niet dat er in het jaar 2020 geïnvesteerd wordt in de basisscholen in Denekamp. Dit betekent dat de geraamde structurele stelpost van € 150.000 voor het jaar 2021 op incidentele basis kan komen te vervallen.

 

Meerjaren Onderhouds Plan Dorper Esch

In februari 2018 is een design, build en maintain overeenkomst voor Sportcomplex Dorper Esch afgesloten. Onderdeel van deze overeenkomst is de maintainovereenkomst. In deze overeenkomst is onder andere overeengekomen dat over de volle looptijd van 30 jaar de kosten van maintain zijn vastgesteld op € 10.057.000 exclusief btw, uitgaanlaat zien de van prijspeildatum december 2017, waarbij voorts is aangegeven dat er een jaarlijkse indexering plaats vindt. Deze indexering voegen we nu toe. Dekking hiervoor kan gevonden worden in de stelpost prijscompensatie.

 

Daarnaast moet er een eerste extra storting plaatsvinden van € 600.000 omdat de maintain overeenkomst de eerste jaren kosten laat zien die hoger zijn dan de jaarlijkse stortingen. In de loop van het contract zal dit geld weer terugvloeien door de jaarlijkse stortingen aan te passen.  

 

Lokaal sportakkoord

In het kader van het opstellen van het Lokaal Sportakkoord is in 2019 een bijdrage aangevraagd van € 15.000 voor het aanstellen van een onafhankelijke sportformateur. De sportformateur begeleidt het proces om te komen tot een Lokaal Sportakkoord. Het Lokaal Sportakkoord van de gemeente Dinkelland is op 8 november 2019 aangeboden aan het ministerie. Voor 2020 en 2021 ontvangt de gemeente een uitvoeringsbudget van € 20.000 per jaar. In samenspraak met de partijen binnen het Lokaal Sportakkoord zal invulling worden gegeven aan dit uitvoeringsbudget. Voor onze gemeentebegroting een budgettair neutrale aanpassing.

 

Rente nieuwe leningen

Begin 2020 zijn een tweetal nieuwe langlopende geldleningen afgesloten voor een totaal bedrag van € 10 miljoen. De jaarlijkse rentelasten van deze langlopende leningen zijn wat hoger dan de rentelasten over de afgelopen jaren toen we nog met kort geld aan onze financieringsbehoefte konden voldoen.

 

BTW

In september 2017 hebben wij naar de Belastingdienst een brief gestuurd waarin wij verzocht hebben om over de jaren 2012 t/m 2016 een aantal btw bedragen alsnog in aftrek te mogen brengen. Dit onder andere op basis van wijziging in de systematiek van aftrek btw op de algemene kosten en de kosten van het ambtelijk apparaat, recente jurisprudentie m.b.t. WMO vervoer en Collectief Vraagafhankelijk Vervoer en de btw aspecten m.b.t. het bewegingsonderwijs. Na veelvuldig overleg met de Belastingdienst zijn we op alle onderdelen met uitzondering van het terugvorderen van de btw m.b.t. het bewegingsonderwijs in het gelijk gesteld. Voor wat betreft het bewegingsonderwijs is aan de hand van landelijke jurisprudentie duidelijk geworden dat de btw niet teruggevorderd kan worden. Per saldo heeft het bezwaarschrift geleidt tot een eenmalige teruggave van in totaal € 991.000,- inclusief belastingrente. Dit bedrag hebben wij verwerkt in de jaarrekening 2019. De wijziging in de systematiek van aftrek op de algemene kosten en de kosten van het ambtelijk apparaat (via het zogenaamde mengpercentage) heeft een structureel effect.

 

In afwachting van de besluitvorming op het bezwaarschrift 2012 t/m 2016 hebben wij in de afgelopen periode pro forma bezwaarschriften ingediend voor de jaren 2017 en 2018. Nu met de Belastingdienst overeenstemming is bereikt over de uitgangspunten hebben wij met de Belastingdienst afgesproken dat uiterlijk 1 september de nadere motivatie wordt ingediend met de daarbij behorende bedragen. Daarbij zullen wij ook het jaar 2019 betrekken. Het resultaat over de jaren 2017 t/m 2019 nemen wij mee in het tweede programmajournaal. Voor 2020 en volgende jaren ramen wij het structureel effect vooralsnog op € 70.000 per jaar.

 

Verbonden partijen

Noaberkracht

De bijdrage aan Noaberkracht is gebaseerd op de vastgestelde begroting 2021 van Noaberkracht. In de meerjarenbegroting van de gemeente Dinkelland kunnen de meerjarige lasten van deze begroting worden opgevangen.

 

In 2020 is er wel sprake van een incidentele meevaller van € 135.000. Deze wordt veroorzaakt doordat in de jaarverantwoording 2019 van Noaberkracht een bedrag aan niet besteed procesgeld is uitgekeerd aan de beide deelnemende gemeenten. Het bedrag waar hier over wordt gesproken is het aandeel van de gemeente Dinkelland daarin.

 

Omgevingsdienst Twente (ODT)

Het gemeentelijke aandeel in de begroting 2021 van de Omgevingsdienst Twente is geraamd op €12,2 miljoen. De gemeentelijke bijdrage is ten opzichte van de begroting 2020 met ongeveer €1,1 miljoen toegenomen. Deze toename is vooral ontstaan door loon- en prijsindexatie. 

 

Conform de verdeelsleutel is de bijdrage voor Dinkelland €444.197. Reeds opgenomen in de begroting van Dinkelland 2021 is €436.320. De bijdrage aan de ODT is voor 2021 €7.877 hoger dan begroot. Deze verhoging wordt veroorzaakt door loon- en prijsindexatie. Voor loon- en prijsindexatie is in de begroting van Dinkelland een stelpost opgenomen. De verhoging van de bijdrage kan verrekend worden met deze stelpost.

 

Veiligheids Regio Twente (VRT)

Het totale gemeentelijke aandeel in de begroting van de VRT is geraamd op € 46,8 miljoen. De totale gemeentelijke bijdrage is ten opzichte van de begroting 2020 met ongeveer € 1,5 miljoen toegenomen. € 1,2 miljoen vanwege de loon- en prijscompensatie, berekend volgens de vastgestelde financiële uitgangspunten en € 0,3 miljoen op basis van het besluit van het algemeen bestuur op 9 juli 2018 over financiële knelpunten op middellange termijn. De bijdrage 2021 wordt voor Dinkelland € 2.060.842. Dit is € 155.109 hoger dan 2020 en € 113.963 hoger dan begroot voor het jaar 2021. Deze verhoging wordt deels veroorzaakt door de Cebeon-mutatie en deels door loon- en prijsindexatie. Voor loon- en prijsindexatie is in de begroting van Dinkelland een stelpost opgenomen. De verhoging van de bijdrage aan de VRT door loon- en prijsindexatie van  € 49.745 kan verrekend worden met deze stelpost.

 

Regio Twente  

Het aandeel gemeentelijke bijdrage is geraamd op € 34,7 miljoen (2020: € 33,3 miljoen), dat is 37% van de totale baten van de Regio Twente. De totale gemeentelijke bijdrage is ten opzichte van de gewijzigde begroting 2020 met € 1,25 miljoen toegenomen. De gemeentelijke bijdrage voor Dinkelland voor 2021 is geraamd op €1.451.000 (2020 was € 1.399.000). Dit betekent een stijging van € 52.000.

 

Deze verhoging wordt veroorzaakt door loon- en prijsindexatie. Voor loon- en prijsindexatie is in de begroting van Dinkelland een stelpost opgenomen. De verhoging van de bijdrage aan de Regio Twente kan voor een deel worden verrekend met deze stelpost.

 

Stelpost loon- en prijscompensatie verbonden partijen

De extra bijdragen als gevolg van loon- en prijsindexatie zijn in totaal €109.622. In de begroting van Dinkelland is een stelpost opgenomen voor loon- en prijsindexaties bij verbonden partijen ter hoogte van €75.000.

 

Overige kleine verschillen

Het betreft hier een verzameling van meerdere kleine verschillen.

 

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangegeven en toegelichte mutaties op basis van bestaand beleid (feitelijk het 1e programmajournaal 2020) en deze te verwerken in het herziene meerjarige saldo.

3. Herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid (eerste programmajournaal 2020)

Herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid (eerste programmajournaal 2020)

Rekening houden met de mutaties bestaand beleid zoals in de vorige paragraaf beschreven en toegelicht ontstaat het volgende herziene meerjarige saldo:

 

Omschrijving 2020 2021 2022 2023 2024
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 -134 38 10 649 984
Onttrekking aan algemene reserve 134 0 0 0 0
Totaal mutaties 351 172 -162 -216 -201
Herzien meerjarig saldo na mutaties 351 210 -152 433 783

 

Conclusies herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid

Zoals uit de tabel over het herziene meerjarige saldo na mutaties valt af te lezen hebben we te maken met een sluitend meerjaren perspectief waarbij slechts de jaarschijf 2022 niet sluit.

 

Voor een juiste interpretatie van de cijfers en om het herziene meerjarige saldo in de juiste context te zien moeten wel de volgende opmerkingen worden geplaatst. In dit herziene meerjarige saldo op basis van bestaand beleid is uitgegaan van:

  • Volledige invulling uitvoeringsplan sociaal domein (voorheen transformatieplan). Rekening houdend met de reeds gerealiseerde invullingen en de voorstellen uit dit eerste programmajournaal 2020 resteert nog een taakstelling van € 111.000 in 2020 tot een structureel bedrag van € 356.000 vanaf 2022.
  • Voor de jaren 2022 en 2023 gaan we, vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek, uit van het doortrekken van de extra rijksvergoeding voor de jeugdzorg van € 340.000 per jaar.
  • Volledige invulling van de opbrengsten op grond van ombuigingsmaatregelen gebaseerd op de denkrichtingen uit de perspectiefnota
  • Het schrappen van de stelposten voor nieuw beleid. Dit betekent dat er de komende jaren alleen ruimte is voor (structureel) nieuw beleid door heroverweging van bestaand beleid

 

In dit herziene meerjarige saldo op basis van bestaand beleid is echter (nog) geen of onvoldoende rekening gehouden met de volgende twee ontwikkelingen:

  • Herijking verdeling gemeentefonds
  • Gevolgen Corona

 

In de volgende paragraaf geven wij een beschrijving van beide ontwikkelingen samen met de mogelijke financiële gevolgen, de keuzes die we daarin als gemeente hebben en het voorstel van ons als college.  

4. Specifieke mutaties

Inleiding

In deze paragraaf staan we stil bij ontwikkelingen die verder gaan dan het bestaande (dus vastgestelde) beleid maar wel degelijk omvangrijke financiële consequenties (kunnen) hebben en ook zeker gezien de politiek bestuurlijke impact de nodige toelichting behoeven. Daarnaast bestaat er een bepaalde mate van keuzevrijheid. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven hebben we in deze perspectiefnota te maken met de volgende twee ontwikkelingen die we scharen onder de zogenaamde specifieke mutaties:

  • Herijking verdeling gemeentefonds
  • Gevolgen Corona

Herijking verdeling gemeentefonds

Het Rijk werkt samen met de VNG aan een herijking van de verdeling van het gemeentefonds. Deze herijking moet leiden tot een toekomstbestendige verdeling met als uitgangspunten stabiliteit, vereenvoudiging en uitlegbaarheid. Deze herijking was in eerste instantie opgedeeld in de volgende twee onderdelen

  • Sociaal domein
  • Het klassieke deel

 

Als onderdeel van de herijking van het klassieke deel is ook de inkomstenverevening benoemd. Gaandeweg bleek dat deze inkomstenverevening dermate belangrijk kan zijn in de totale herijking dat vanaf medio 2019 feitelijk wordt gesproken over drie onderdelen.
In totaliteit heeft deze herijking betrekking op een totaalbedrag van €30 miljard. Invoering van de nieuwe verdeling is voorzien in 2021.

 

Zoals we in de begroting 2020 hebben aangegeven zien wij op grond van eerdere ervaringen met herverdelingen van rijksmiddelen een (financieel) risico. De laatste herverdelingen van rijksmiddelen hebben namelijk voor kleine(re) gemeenten en dan vooral in het oosten van het land vaak negatief uitgepakt. Vandaar dat wij u hebben voorgesteld om met ingang van het jaar 2021 (ingang van de herverdeling) rekening te houden met een meerjarig nadelig effect.

 

Toen begin 2020 de eerste contouren van deze herijking naar buiten kwamen heeft het Rijk, gezien de omvang van de herverdeeleffecten, besloten een nader onderzoek te doen en de ingangsdatum uit te stellen. De eerste herverdeeleffecten lieten namelijk een substantiële verschuiving van gelden zien van kleine naar grote gemeenten, van plattelandsgemeenten naar gemeenten met een centrumfunctie en van gemeenten in het oosten van het land naar gemeenten in het westen van het land. Voor onze gemeente geen gunstige ontwikkeling. Hoewel nog niet duidelijk is wat de exacte gevolgen van de herijking zullen zijn verwachten wij wel dat we nadeel gemeente zullen zijn en dat het rijk zal vasthouden aan het ingangsjaar 2022. Dit heeft ons doen besluiten u voor te stellen om aanvullende ruimte in onze meerjarenbegroting te reserveren die overeenkomt met een tekort per inwoner dat gefaseerd oploopt naar €25 in 2024.

 

Herijking verdeling gemeentefonds 2021 2022 2023 2024
Raming uit begroting 2020 - opgenomen stelpost 150.000 200.000 300.000 300.000
Ingangsjaar 1 jaar uitgesteld van 2021 naar 2022 -150.000     100.000
Raming uit begroting 2020 - opgenomen stelpost (€15 per inwoner)   200.000 300.000 400.000
Voorstel om gefaseerd te verhogen naar €25 per inwoner   100.000 200.000 250.000
Totaal beschikbare stelpost (€25 per inwoner) - 300.000 500.000 650.000

 

Het moge duidelijk zijn dat ook deze verhoging van de stelpost geen garantie biedt dat we voldoende ruimte hebben gereserveerd om de gevolgen van de herijking verdeling gemeentefonds op te vangen. Uiteraard zullen wij waar nodig en waar mogelijk onze stem laten horen en zullen we u als raadsleden op de hoogte houden van de laatste ontwikkelingen op dit vlak.

 

Voorgesteld wordt om rekening te houden met een nadelig effect van de herijking verdeling gemeentefonds oplopend van een bedrag van € 300.000 in 2022 oplopend naar een structureel bedrag van € 650.000 vanaf het jaar 2024 en de hiermee gepaard gaande meerkosten te verwerken in het herziene meerjarige saldo.

 

Financiële gevolgen coronacrisis

Het Coronavirus en de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de uitbraak van het Coronavirus in te dammen, hebben een enorme impact op ons land. Iedereen ervaart  de verstrekkende consequenties hiervan voor het functioneren van het dagelijks leven. Zowel privé als op het werk. De uiteenlopende uitdagingen die deze crisis met zich brengt vraagt ook veel van de gemeente, de bestuurders maar ook van alle medewerkers in onze ambtelijke organisatie Noaberkracht. Naast de maatregelen die het rijk heeft genomen heeft ook de gemeente Dinkelland een pakket aan maatregelen afgekondigd.

 

Dat de financiële effecten van de verschillende  maatregelen onzeker (maar materieel) zullen zijn staat welhaast vast. De verwachting is dat het verder gaat dan wat problemen in de liquiditeit als gevolg van uitgestelde ontvangsten van belastingen, leges, enz en vooruitbetaalde kosten op het gebied van versterkte bijstandsvoorzieningen c.a.

 

We ontkomen er niet aan om in het eerste programmajournaal 2020 en de perspectiefnota 2021 een eerste beeld te schetsen van de gevolgen van de Coronacrisis voor onze financiële huishouding. Zowel voor het jaar 2020 (incidenteel) als ook een eerste voorzichtige inschatting voor de jaren daarna (dus vanaf 2021).  Om toch enig houvast te hebben bij deze inschattingen gebruiken we de scenario’s van het centraal planbureau (CPB) als uitgangspunt.

 

Scenario’s CPB

Het CPB kwantificeert de impact van het coronavirus op de economie in 2020 en 2021 in vier scenario’s. Een centrale raming zoals het CPB die regulier maakt is in de huidige situatie van grote onzekerheid en bij gebrek aan harde cijfers over de recente ontwikkelingen niet zinvol. Daarom zijn scenario’s gebruikt om de mogelijke orde van grootte van de impact te duiden, en aan te geven waar de voornaamste onzekerheden zitten. De vier scenario’s verschillen vooral in de veronderstelde duur en diepte van de economische crisis. De uitgangspunten die het CPB gebruikt bieden naar onze mening voldoende houvast om de mogelijke gevolgen voor onze financiële huishouding in te schatten. De scenario’s van het CPB zijn als volgt samen te vatten in uitgangspunten.

 

 

We hebben deze uitgangspunten “losgelaten” op de verschillende ramingen in onze gemeentebegroting waarvan wij denken dat ze geraakt worden door de mogelijke gevolgen van het coronavirus. Dit varieert van uitgaven op het gebied bijstand, veiligheid, jeugdzorg, Wmo en welzijn tot aan inkomsten op het gebied van de verschillende belastingen, leges en vergoedingen die we ontvangen van het Rijk. Uiteraard hebben we ook rekening gehouden met de verschillende vergoedingen die het Rijk inmiddels reeds heeft bekend gemaakt. Hierdoor ontstaat de volgende financiële vertaling van de verschillende scenario’s.

 

Scenario 1

Omschrijving 2020 2021 2022 e.v.
Werk en inkomen -164.000 -107.000 -
Sociaal domein -208.000 - -
Veiligheid - - -
Economie -50.000 -145.000 -10.000
Volkshuisvesting en RO -25.000 - -
Inkomsten - algemene dekkingsmiddelen -165.000 -120.000

-100.000

Algemene uitvoeringskosten -57.000    
Mogelijke compensatie door het Rijk - - -
Totaal -669.000 -372.000 -110.000

 

Scenario 2

Omschrijving 2020 2021 2022 e.v.
Werk en inkomen -216.000 -153.000 -46.000
Sociaal domein -411.000 -50.000 -
Veiligheid - - -
Economie -90.000 -280.000 -10.000
Volkshuisvesting en RO -55.000 -25.000 -
Inkomsten - algemene dekkingsmiddelen -330.000 -265.000 -245.000
Algemene uitvoeringskosten -114.000 - -
Mogelijke compensatie door het Rijk - - -
Totaal -1.216.000 -773.000 -301.000

 

Scenario 3

Omschrijving 2020 2021 2022 e.v.
Werk en inkomen -258.000 -204.000 -102.000
Sociaal domein -411.000 -100.000 -
Veiligheid - - -
Economie -100.000 -290.000 -20.000
Volkshuisvesting en RO -55.000 -25.000 -
Inkomsten - algemene dekkingsmiddelen -455.000 -390.000 -370.000
Algemene uitvoeringskosten -114.000 -57.000 -
Mogelijke compensatie door het Rijk - - -
Totaal -1.393.000 -1.066.000 -492.000

 

Aangezien het college van mening is dat scenario 4 wel uitgaat van bijzonder negatieve uitgangspunten is de berekening van dit scenario op dit moment achterwege gelaten.

 

Samenvattend kan gesteld worden dat de financiële effecten van alle drie de scenario’s behoorlijk zijn te noemen met als belangrijkste verschil dat de klap voor de gemeentelijke financiële huishouding  met het oplopen van de scenario’s harder aankomt en langer “nadreunt”.

 

Op basis van de kennis van nu en met inachtneming van de onzekerheden die de huidige situatie met zich meebrengt stelt het college voor vooralsnog rekening te houden met de mogelijke financiële gevolgen van het tweede CPB scenario. Dit rekening houden met betekent dat we in richtinggevende financiële zin rekening houden met de aangegeven financiële consequenties. Hiervoor reserveren we nu financiële ruimte. In hoeverre deze financiële ruimte ook  inderdaad aangewend moet worden zal de komende maanden moeten blijken. Dan wordt namelijk duidelijk(er) wat de exacte gevolgen zijn en welke (aanvullende) compensatie het rijk beschikbaar stelt . het spreekt voor zich dat we u als raad daarvan op de hoogte houden. Zowel in de komende P&C documenten (2e programmajournaal 2020 en begroting 2021) of indien dat nodig is via afzonderlijke kanalen.

 

Voorgesteld wordt in richtinggevende zin rekening te houden met de mogelijke financiële consequenties van het coronavirus berekend volgens het CPB scenario 2 en dit te verwerken in het herziene meerjarige saldo.

 

In samenvattende zin hebben de beide specifieke mutaties het volgende financiële effect op het herziene meerjarige saldo:

Specifieke mutaties 2020 2021 2022 2023 2024
(Uitstel) herverdeling gemeentefonds     -100 -200 -250
Gevolgen coronacrisis scenario 2 -1.216 -773 -301 -301 -301
Totaal specifieke mutaties -1.216 -773 -401 -501 -551

5. Herzien meerjarig saldo na specifieke mutaties

Herzien meerjarig saldo na specifieke mutaties

Rekening houdend met de specifieke mutaties zoals beschreven en toegelicht in de vorige paragraaf ontstaat het volgende herziene meerjarige saldo:

 

Omschrijving 2020 2021 2022 2023 2024
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 -134 38 10 649 984
Onttrekking aan algemene reserve 134 0 0 0 0
Totaal mutaties 351 172 -162 -216 -201
Totaal specifieke mutaties -1.216 -773 -401 -501 -551
Herzien meerjarig saldo na specifieke mutaties -865 -563 -553 -68 232

 

De conclusies en de opmerkingen die in het begin van dit hoofdstuk zijn genoemd blijven van kracht met dien verstande dat een stuk extra behoedzaamheid is ingebouwd waar het gaat om de (nadelige) te verwachten effecten van de herijking verdeling gemeentefonds en het coronavirus. Dit wil echter niet zeggen dat we daarmee alle mogelijke (financiële) risico’s volledig (meerjarig) hebben afgedekt.  Zo wordt er vanuit het rijk  met de VNG gesproken over de regelingen aangaande kosten ontstaan door de coronacrisis. Het rijk heeft aangegeven dat “De-centrale overheden er niet op achteruit mogen gaan”.
We gaan er vanuit dat voor een deel van de kosten ontstaan door corona een substantiële tegemoetkoming vanuit het rijk zal komen.
Daar waar er al duidelijkheid is in de regelingen zijn deze meegenomen in de berekeningen aangaande de kosten van corona, daar waar nog geen duidelijkheid is zijn deze kosten nog volledig opgenomen in de gemeentelijk kosten voor corona.

Wel blijkt dat we er verstandig aan hebben gedaan een behoorlijk weerstandsvermogen te hebben opgebouwd. Dit maakt namelijk dat we de tekorten volgens het herziene meerjarige saldo na mutaties over de eerste jaren kunnen opvangen. Wij stellen dan ook voor om deze tekorten op begrotingsbasis voor een totaalbedrag van € 2.049.000 ten laste te brengen van ons weerstandsvermogen (lees de algemene reserve). Op de gevolgen hiervan voor ons weerstandsvermogen komen we in de volgende paragraaf terug.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met het op begrotingsbasis onttrekken van de meerjarige tekorten over de jaren 2020, 2021, 2022 en 2023 voor een totaalbedrag van €2.049.000 aan de algemene reserve.

6. Nieuw beleid / intensivering van beleid

Nieuw beleid / intensivering van beleid

Zoals we eerder in dit hoofdstuk reeds hebben aangeven hebben we onze structurele ruimte voor nieuw beleid (de stelposten) als onderdeel van de ombuigingsmaatregelen uit de begroting 2020 ingezet. Ook het herziene meerjarige saldo zoals we dat op dit moment kunnen inschatten biedt, gezien de tekorten in de eerste jaren, geen ruimte voor structureel nieuw beleid.

 

Wij hebben echter wel aangegeven dat wij de dekking van een aantal intensiveringen van beleid / nieuw beleid met een structureel karakter zouden betrekken bij het opstellen van de perspectiefnota 2021. Dat doen wij dus in deze paragraaf. In eerste instantie treft u een overzicht van de kosten aan van de zaken waarvan wij hebben toegezegd deze te zullen betrekken bij het opstellen van de perspectiefnota 2021.

 

Omschrijving 2020 2021 2022 2023 2024
Kwaliteit openbaar groen (KOG) 0 p.m. p.m p.m p.m
Speeltoestellen 0 p.m p.m p.m p.m
Biodiversiteit* 0 90 90 90 90
OZB maatschappelijke instellingen 0 114 114 114 114
Programma duurzaamheid 0 132 132 132 132
Totaal 0 336 336 336 363

 

Het * achter biodiversiteit wil zeggen dat er een wijziging is opgereden in de eerder raming. Nader onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de kosten geen €111.000 per jaar bedragen maar €90.000 per jaar.

 

Het college ziet kans om met de beschikbare incidentele middelen uit de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen (RIBAM) ruimte te creëren om zowel in incidentele zin als in structurele zin nieuw beleid / intensivering van beleid te honoreren.

 

Als eerste stelt het college voor om de onderdelen Kwaliteit Openbaar Groen (KOG) en speeltoestellen te voorzien van incidentele dekking voor een periode van ongeveer 4 jaar. Het college wil hiervoor € 1,6 miljoen onttrekken aan de RIBAM en hiervoor een nieuwe bestemmingsreserve “onderhoud en vervanging openbaar groen en speeltoestellen” in het leven roepen. Op deze manier (een nieuwe reserve) wordt de raad ook in de gelegenheid gesteld om de uitvoering te volgen. Door Kwaliteit Openbaar Groen (KOG) voor een periode van ongeveer 4 jaar van incidentele dekking te voorzien komt het structureel beschikbare bedrag voor KOG ten bedrage van €155.000 structureel beschikbaar voor overig nieuw beleid / intensivering van beleid.

 

Het college stelt in eerste instantie de volgende richtinggevende prioritering voor:

  1. Biodiversiteit
  2. Programma duurzaamheid
  3. OZB maatschappelijke instellingen

 

Deze richtinggevende prioritering wordt in de aanloop naar het opstellen van de begroting 2021 verder wordt uitgewerkt en wordt betrokken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt.

 

Zaken die sowieso worden berokken bij deze nadere uitwerking zijn de mogelijke inzet van alternatieve dekkingsmiddelen voor het programma duurzaamheid (zowel extern al intern) en een mogelijke fasering van de gevraagde extra inzet.

 

Voor de OZB maatschappelijke instellingen zal in ieder geval de toegezegde evaluatie van de bestaande (pilot) regeling worden betrokken.

 

Voorgesteld wordt een nieuwe bestemmingsreserve “onderhoud en vervanging openbaar groen en speeltoestellen” te vormen en hier een bedrag van €1,6 miljoen in te storten en dit bedrag te onttrekken aan de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangeven richtinggevende prioritering voor wat betreft de bestemming van de vrijgespeelde structurele €155.000 en deze richtinggevende prioritering nader uit te werken en te betrekken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt.

7. Incidenteel beschikbare algemene middelen waaronder de (belangrijkste) reserves

Incidenteel beschikbare algemene middelen waaronder de (belangrijkste) reserves

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van onze beschikbare algemene incidentele middelen. Hierbij is rekening gehouden met de voorstellen zoals die eerder in dit hoofdstuk zijn gedaan. Voor een totaal overzicht van al onze reserves (en voorzieningen) verwijzen wij u naar het overzicht reserves en voorzieningen dat als bijlage bij deze perspectiefnota is opgenomen. In dit totale overzicht zijn ook de reserves (en voorzieningen) opgenomen die op grond van eerdere besluitvorming door uw raad al van een bestemming zijn voorzien.

 

We beginnen echter met de zogenaamde programmagelden (project en procesgelden) voor de verschillende uitdagingen.

Project- en procesgelden duurzaamheid (inclusief energietransitie)

In de begroting 2020 is aangegeven dat nog een bedrag aan programmagelden duurzaamheid beschikbaar is van € 1,91 miljoen. Inmiddels hebben daar de volgende mutaties op plaatsgevonden:

Gemeente zoekt dak €11.575
Digitaal platform dichtbij duurzaam €10.000
Aanschaf 4 elektrische auto's en 4 elektrische fietsen €9.667
Mobiliteitsplan €16.000
Laadvoorzieningen €5.000
Zonnepanelen op gemeentewerf €275.000
Haalbaarheidsonderzoek zonnevelden €3.400
Inkoop van energie €2.000
Totaal €328.642

 

Hierna resteert dus nog een bedrag van € 1.583.000 aan programmagelden duurzaamheid.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de mutaties voor de programmagelden duurzaamheid en de begroting daar op aan te passen.

 

De extra middelen die we via de algemene uitkering hebben ontvangen voor transitievisie warmte, wijkaanpak, energieloketten is nog niet meegenomen in deze opzet.

Project- en procesgelden maatschappelijk vastgoed in relatie tot demografie

In de begroting 2020 is aangegeven dat nog een bedrag van € 846.000 miljoen resteert aan programmagelden maatschappelijk vastgoed (project- en procesgeld. Hierop rusten nog de volgende verplichtingen die zijn meegenomen in de bepaling van het bij de begroting 2020 resterende saldo.

 

Bij de bepaling van dit bedrag is rekening gehouden met de volgende drie initiatieven / zaken die ten laste van de projectgelden kunnen worden gebracht (uit begroting 2020):

Sociale hypotheek verbouwing Kulturhus de Cocer €75.000
Kwartiermaker verzelfstandiging Dorper Esch €66.000
Sloop clubgebouw en kleedkamers oude SDC terrein €23.000
Totaal €164.000

 

Hierna resteert dus nog een bedrag van ongeveer €682.000 aan programmagelden maatschappelijk vastgoed. Dit bedrag is opgenomen in de begroting 2020.

 

Inmiddels laten de programmagelden maatschappelijk vastgoed de volgende werkelijke mutaties zien:

Privatisering Openlucht Museum Ootmarsum €30.000
Planvorming sporthal Hoge Vonder €15.000
Voorbereidingskrediet de Zeven Ster €25.000
Sloop clubgebouw en kleedkamers oude SDC terrein €28.000
Subsidieloketten €10.000
Beachvolleybalveld Dorper Esch €20.000
Advisering over Molens e.d. €3.000
   
Daarnaast de bestaande verplichtingen:  
Sociale hypotheek verbouwing Kulturhus de Cocer €75.000
Kwartiermaker verzelfstandiging Dorper Esch €66.000
Totaal mutaties en verplichtingen €272.000

 

Hierna resteert een vrij te besteden bedrag aan programmagelden maatschappelijk vastgoed van € 574.000 (€ 846.000 -/- € 272.000).

 

Voorgesteld wordt van deze resterende middelen een bedrag van € 512.000 te reserveren voor de voorbereidingskosten samen Scholen locatie Denekamp. Het hierna resterende bedrag van € 62.000 is daarna nog beschikbaar aan programmagelden maatschappelijk vastgoed.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de mutaties, de verplichtingen en de reservering voor de programmagelden maatschappelijk vastgoed en de begroting daar op aan te passen.

Project- en procesgelden inbreiding voor uitbreiding

In de begroting 2020 is aangegeven dat nog en bedrag van €1,11 miljoen resteert aan programmagelden (proces- en projectgeld) inbreiding voor uitbreiding. Vanaf het moment van vaststellen van de begroting 2020 zijn geen aanvullende besluiten genomen zodat dit bedrag van € 1,11 miljoen nog resteert.


Bij de bepaling van dit bedrag is rekening gehouden met het eerder ten laste van dit budget beschikbaar gestelde bedrag van €500.000 voor de stimuleringsregeling binnenstedelijke vernieuwing. Dit bedrag voor de stimuleringsregeling is nog volledig intact.

Weerstandsvermogen (algemene reserve en reserve grondbedrijf)

In de begroting 2020 is de ratio weerstandscapaciteit evenals voorgaande jaren vastgesteld op 1,4. Deze ratio komt overeen met een benodigde en beschikbare weerstandscapaciteit van €5.004.000. Na het vaststellen van de begroting 2020 hebben zich een aantal mutaties voorgedaan die we nu in beeld brengen. Ook hebben we reeds rekening gehouden met de voorstellen uit deze perspectiefnota 2021 / 1e programmajournaal 2020. Dit levert het volgende beeld op:

Algemene reserve - stand begroting 2020 5.004
Jaarverantwoording 2019 Noaberkracht 135
Jaarverantwoording 2019 Dinkelland 969
Jaarverantwoording 2019 Dinkelland (BTW) 894
Tekorten perspectiefnota 2021 / 1e programmajournaal 2020 -2.049
Herziene stand algemene reserve 4.953

 

Rekening houdend met de aangegeven mutaties komt de herziene stand van het beschikbare weerstandsvermogen op een bedrag van €4.953.000. Deze herziene stand ligt onder de vastgestelde norm van 1,4 wat betekent dat een aanvulling dient plaats te vinden. Wij stellen voor deze aanvulling ten bedrage van €51.000 ten laste te brengen van de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen. Wij zijn en blijven namelijk van mening dat het hebben en indien mogelijk aanhouden van een voldoende weerstandsvermogen van groot belang is om mogelijke risico’s te kunnen opvangen. De huidige Corona crisis sterkt ons in deze opvatting.

 

Voorgesteld wordt de ratio voor het weerstandsvermogen blijvend vast te stellen op 1,4 wat betekent dat een bedrag van € 51.000 wordt onttrokken aan de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen en toegevoegd aan de algemene reserve.

Reserve riool

In de begroting 2017 is een incidenteel bedrag van €2 miljoen beschikbaar gesteld om de gevolgen van de klimatologische omstandigheden (deels) op te vangen. Aangegeven is dat deze reservering wordt betrokken bij het opstellen van het nieuwe Gemeentelijke Riolerings Plan (behandeling gemeenteraad november 2018. Tijdens deze behandeling is heel nadrukkelijk de link gelegd met de zogenaamde “stress tests” die eind 2019 worden uitgevoerd. De eerste uitkomsten van deze “stress tests” geven een beeld van de noodzakelijke investeringen aan het rioolstelstel. De ruimte in het tarief en de middelen in deze reserve maken dat tariefstijgingen de komende jaren, anders dan de reguliere indexering volgens het CBS, achterwege kunnen blijven.

Extra weerstandsvermogen Sociaal domein

We hebben in de begroting 2020 nog de beschikking over een bedrag aan extra weerstandsvermogen Sociaal Domein van €450.000. Naast het opvangen van mogelijke risico’s als gevolg van de uitvoering van het bestaande beleid binnen het sociaal domein is deze reserve ook bedoeld om eventuele faseringsverschillen in de realisatie van het uitvoeringsplan sociaal domein te kunnen opvangen.

Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen

Rekening houdend met de besluitvorming uit de begroting 2020 resteert er een bedrag in deze reserve van €5.280.000. Rekening houdend met een aantal mutaties op basis van bestaand beleid en de voorstellen uit deze perspectiefnota 2021 (incl. eerste programmajournaal 2020) ontstaat het volgende beeld:

Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen - stand begroting 2020 5.280
Geluidsinstallatie raadszaal -156
MJOP Dorper Esch -600
Bijdrage SDC -150
Voorlopige reservering Leader 2021-2027 -170
Reserve onderhoud en vervanging openbaar groen en speeltoestellen -1.600
Aanvullen weerstandsvermogen -51
Herzien stand RIBAM 2.553

 

De mutatie geluidsinstallatie raadszaal en bijdrage SDC hebben betrekking op raadsbesluiten die alleen nog moeten verwerkt. Voor de inzichtelijkheid op het verloop en de aansluiting laten we deze toch even zien.

 

Het MJOP Dorper Esch is toegelicht onder de mutaties bestaand beleid eerder in dit document. Kort gezegd komt het er op neer dat deze extra aanvullende storting nodig is om te voorkomen dat de onderhoudsvoorziening de eerste jaren negatief komt te staan. 

 

De voorlopige reservering voor LEADER (Liaison Entre Actions de Développement de l’ Economie Rurale) Noordoost-Twente heeft te maken met een mogelijk vervolg LEADER kent een periode van 7 jaar, de huidige periode loopt van 2014-2020. Er ligt een voorstel om gebruik te maken van een transitie periode (2 jaar), deze jaren maken onderdeel uit van de totale 7 jaren (2021-2027). De provincie Overijssel heeft middelen gereserveerd voor deze nieuwe LEADER-periode. Om als gebied hiervoor in aanmerking te komen dient lokale cofinanciering door gemeenten worden gedaan (begrotingsbehandeling 2021). Voor de drie plattelandsgemeenten in Noordoost-Twente betekent meedoen een cofinanciering ca. € 170.000,- per gemeente (€ 25.000,-/gemeente/jaar). Een nadere verkenning wordt gedaan naar initiatieven uit de samenleving die passen binnen LEADER. De uitkomsten hiervan worden betrokken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt.

 

De onttrekking voor de reserve onderhoud en vervanging openbaar groen en speeltoestellen  is een gevolg van het voorstel in het kader van nieuwe beleid / intensivering van beleid eerder dit document.

 

Het aanvullen van het weerstandsvermogen betreft een voorstel tot het aanvullen van het weerstandsvermogen naar de vastgestelde ratio van 1,4 eerder dit document.

Totaaloverzicht beschikbare algemene incidentele middelen

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van de beschikbare algemene incidentele middelen. Hierbij is rekening gehouden met de verschillende voorstellen en denkrichtingen die in deze perspectiefnota (inclusief het eerste programmajournaal 2020) zijn gedaan.

Beschikbare algemene incidentele middelen miljoen €
- Weerstandscapaciteit ratio 1,4 (algemene reserve en reserve grondbedrijf) 5,04
- Extra weerstandsvermogen Sociaal Domein 0,45
- Reserve riool 2,00
- Project- en procesgelden duurzaamheid (inclusief energietransitie) 1,58
- Project- en procesgelden maatschappelijk vastgoed in relatie tot demografie 0,06
- Project- en procesgelden inbreiding voor uitbreiding 1,11
- Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen 2,55
Totaal beschikbare algemene incidentele middelen 12,79

8. Uitgangspunten voor het opstellen van de begroting 2021

Uitgangspunten begroting 2021

In deze notitie zijn de algemene uitgangspunten opgenomen die gebruikt worden bij het opstellen van de begroting 2021.

 

Indexering prijsgevoelige budgetten

We gaan niet uit van een recht evenredige aanpassing van alle prijsgevoelige budgetten maar kiezen voor het reëel ramen van deze budgetten. Dat wil zeggen rekening houden met de werkelijke (ervarings-) cijfers over de laatste jaren verhoogd met het laatst bekende cijfer voor wat betreft de aanpassing van de prijzen volgens het CBS over de periode juni – juni  (was vorig jaar 1,6%). Dit hoeft dus niet in alle gevallen een verhoging van de raming te betekenen maar kan zelfs een verlaging van de raming betekenen.  

 

De centraal geraamde stelpost prijscompensatie betrekken we eveneens bij het opstellen van de begroting 2021. Normaal gesproken valt deze vrij ter dekking van de hogere lasten als gevolg van de indexering van de prijsgevoelige budgetten.

 

Indexering lonen

De nieuwe cao gemeenteambtenaren is inmiddels verwerkt in de begroting 2021 van Noaberkracht en deze wordt verwerkt in de begrotingen 2021 van de beide deelnemende gemeenten. Deze cao kent een looptijd tot 1 januari 2021.

 

Voor wat betreft de (meerjarige) indexering van de lonen hebben we in de begroting van Noaberkracht een jaarlijkse stijging meegenomen van 1,5%. Daarnaast staat in de beide gemeenten nog een stelpost van 0,5%. Per saldo hebben we dus een budgettaire ruimte van 2%.

 

Let wel: Niet alleen de salarissen in Noaberkracht maar ook de salarissen van de griffie (in de gemeentebegroting) moeten worden aangepast.

 

Verbonden partijen

De (financiële gevolgen van de) begrotingen 2020 van de verbonden partijen zijn via de perspectiefnota (inclusief 1e programmajournaal 2019) opgenomen in de (meerjaren)begrotingen van de beide gemeenten. Hier hoeven we dus niets meer aan te doen.

 

Meerjarig, dus vanaf 2021, hebben we ook stelposten loon-en prijscompensatie opgenomen voor de verbonden partijen.

 

Subsidies

Voor wat betreft de subsidies volgen we de afspraken uit de verordening of indien van toepassing specifiek gemaakte (prestatie) afspraken.

 

Rente

In beide gemeenten gaan we uit van de omslagrente. Dit is voor de  gemeente Dinkelland 1,5%. Dit percentage gebruiken we voor de bestaande activa en investeringen maar ook voor nieuwe investeringen.

 

Voor het grondbedrijf hanteren we het volgende percentage

Dinkelland 1,0%

 

OZB Dinkelland

Voor het indexeren van de ozb tarieven gaan we uit van een jaarlijkse indexatie van 2%. De OZB tarieven worden zodanig aangepast dat er voor het jaar 2020 een meeropbrengst wordt gerealiseerd van 2% (exclusief areaalaanpassing). Voor de jaren daarop gaan we ook uit van een meeropbrengst van 2% (exclusief areaalaanpassing)

 

Rioolrecht

In het Gemeentelijk Riolerings Plan 2019-2022 (GRP) dat eind 2018 is vastgesteld is aangegeven dat de tarieven de komende jaren verhoogd moeten worden met €5 per jaar plus de inflatie. Hierbij is uitdrukkelijk aangegeven dat de daadwerkelijk noodzakelijke verhoging afhankelijk is van de toekomstige investeringen als gevolg van de zogenaamde klimaatadaptie. De “stresstests” die in het najaar van 2019 worden uitgevoerd moeten  hierover duidelijkheid geven. Inmiddels heeft een eerste doorrekening van de financiële gevolgen van deze stresstests plaatsvonden. De noodzakelijke (extra) investeringen (voor Dinkelland € 700.000 per jaar) kunnen de eerste jaren worden opgevangen binnen het tarief in samenhang met de reserve riool.  Wel blijven we de tarieven verhogen met de inflatiecorrectie volgens de cijfers van CBS.

 

Afvalstoffenheffing

De tarieven afvalstoffenheffing zijn 100% kostendekkend. De daadwerkelijke hoogte van de tarieven kunnen we pas bepalen als alle uitgaven en alle inkomsten (zonder de opbrengsten uit de tarieven) op basis van een reële raming zijn verwerkt.

 

Toeristenbelasting

Geen indexatie

 

Forensenbelasting

Geen indexatie

 

Reclamebelasting

Geen indexatie